Orgelgebruik in de protestantse kerkdienst tussen 1886 en 1938. Deel 4: Kerktoonsoorten en ritmisch zingen

door Jan Smelik |Het ORGEL |Jaargang 115 |(2019) |Nummer 5
Tussen 1886 en 1938 leefde vrij algemeen de opvatting dat de kerkzang in de protestantse kerken er slecht aan toe was. Niet algemeen gedeeld, maar wel in toenemende mate kreeg de overtuiging voet aan de grond dat de gemeentezang flink zou opknappen wanneer de kerktonaliteit van de Geneefse psalmmelodieën meer gerespecteerd zou worden. Dat betrof niet alleen de melodieën maar ook de harmonisaties waarmee organisten begeleidden. In de melodieën waren verhogingen en verlagingen geslopen die niet zouden passen bij hun oorspronkelijke tonaliteit. Sommigen pleitten daarom om deze accidenties consequent te verwijderen. Ook werden pleidooien gevoerd om de psalmen te begeleiden met kerktonale harmonisaties.
Verbetering van de kerkzang moest er ook komen door wat in de volksmond ‘ritmisch zingen’ genoemd werd. De melodieën moesten niet langer als isometrische ‘koralen’ gezongen worden. Er werd stevig gediscussieerd of een gemeente de zestiende-eeuwse psalmmelodieën in hun oorspronkelijke ritme zou kunnen zingen. Vrij algemeen vond men dat dan een conflict zou ontstaan tussen het ritme van de tekst en dat van de melodie. Anderen waardeerden de isometrische gemeentezang als een passende expressie van het godsdienstig gevoel der gemeente.
De Nederlandsche Organisten Vereeniging organiseerde in mei 1934 het Tweede Orgelcongres, waar twee lezingen werden gehouden over het verbeteren van de kerkzang.  Willem Petri hield een referaat over de modaliteit en het harmoniseren van de psalmmelodieën, terwijl Leo Mens een lans brak voor het ritmisch zingen. Beide lezingen zijn te zien als afronding van jarenlange discussies, waarbij voorstanders van kerktonaliteit en ritmisch zingen het uiteindelijk wonnen.

Afbeeldingen