Het septembernummer 2021 van Het ORGEL is voor een groot deel gewijd aan Jan Pieterszoon Sweelinck, die 400 jaar geleden overleed. Sweelinck-specialist Pieter Dirksen schreef een boeiend analytisch artikel over het Ricercar a1 (SwWV 280). Hij laat onder andere zien hoe deze compositie alle kenmerken heeft van de ‘klassieke’ Sweelinck-fantasia.
Het herdenken van Sweelincks geboorte- en sterfjaar is in onze tijd vanzelfsprekend. Maar dat is eeuwenlang anders geweest. Het artikel van Jan Smelik gaat over de Sweelinck-revival zoals deze in de negentiende eeuw ontstond. Smelik beschrijft de periode tot 1934, het jaar waarin het boek ‘Jan P. Sweelinck en zijn instrumentale muziek’ van Bernhard van den Sigtenhorst Meyer verscheen. In het artikel wordt geschreven over de rol van Het ORGEL en (daarmee ook) van de Nederlandsche Organisten-Vereeniging (NOV) in het proces van herwaardering van Sweelinck. Ook de beruchte controverse tussen de NOV en Jan Zwart begin jaren dertig komt aan de orde, want daarbij speelde Sweelincks nagedachtenis een hoofdrol. Het herdenken van een nationale held uit de zeventiende eeuw kon Nederlanders destijds verbinden, maar ook zorgen voor verwijdering en onbegrip.
De rubriek ‘Een eeuw geleden’ bevat een artikeltje van Herman Rutters uit het oktobernummer van 1921. De toenmalige hoofdredacteur van Het ORGEL maakte zich daarin ernstige zorgen over de herdenking van Sweelincks 300ste sterfdag op 16 oktober.
Jos van der Kooy beschrijft in zijn column ‘Levenslang Sweelinck’ hoe hij kennismaakte met de ‘Orpheus van Amsterdam’, en hoe deze hem tijdens zijn loopbaan tot nu toe heeft heeft vergezeld. Een mooi egodocument dat indirect ook een beknopte beschrijving geeft van de Sweelinck-receptie na de Tweede Wereldoorlog.
Via leerlingen had Sweelinck in de zeventiende eeuw vooral invloed in Noord-Duitsland. Zijn kunst werd daar verder ontwikkeld door leerlingen die op hun beurt weer leerlingen opleidden. Dat gold bijvoorbeeld voor Johann Adam Reincken, een leerling van Sweelinck-leerling Heinrich Scheidemann. Christiaan Clement schrijft over Reinckens fameuze koraalfantasie ‘An Wasserflüssen Babylon’. Op basis van een analyse van muzikale figuren onderzoekt Clement bij welke van de zes strofen van het lied (een bewerking van Psalm 137) Reincken zijn koraalfantasie gecomponeerd kan hebben. Een boeiende zoektocht.

Geerten Liefting bezocht voor Het ORGEL de drie ronden van het Internationale Orgelconcours Haarlem. Hoe zagen de improvisatie-opdrachten eruit? Boden ze kandidaten voldoende mogelijkheden om hun improvisatietalenten te etaleren? En wat maakten de spelers van de opdrachten?
Auke H. Vlagsma schreef een In memoriam Teus den Toom, die op 19 juli overleed op 77-jarige leeftijd. Jan R. Luth herdenkt Jan van Biezen die op 24 juli overleed, 94 jaar oud.
Vervolgens wordt een aantal recent uitgegeven boeken besproken. Allereerst vraagt Christo Lelie aandacht voor het boek dat Bernhard Ruchti schreef over de Fantasie und Fuge über den Choral “Ad nos, ad salutarem undam” van Franz Liszt. De titel van zijn recensie, ‘Een vergeten uitvoeringspraktijk van romantische muziek’, geeft al aan dat de betekenis van Ruchti’s boek verder reikt dan de orgelwerken van Liszt.
Sietze de Vries bespreekt het boek De aristocraat onder onze historische orgels. De orgels van de Oude Kerk Amsterdam. Hij concludeert: “een fantastisch naslagwerk, dat zich ook nog eens laat lezen als een spannende roman.”
Albert Clement geeft aandacht aan het Mendelssohn Handbuch dat vorig jaar onder redactie van Christiane Wiesenfeldt verscheen. Is dit handboek up-to-date en voldoet het aan de verwachtingen?
Frits Zwart besluit het nummer met deel 2 van een drieluik over de organist Marinus van ’t Kruijs (1861-1919). Dit deel gaat over de tijd dat Van ’t Kruijs in Groningen woonde en werkte. Hij ontmoette er nogal wat narigheid…

Neem een kijkje in het nummer: