Albert Clement opent het laatste nummer van jaargang 116 met deel drie van zijn serie over Nederlandse organisten uit de School van Felix Mendelsohn Bartholdy. In dit deel worden studenten besproken die na het overlijden van de componist op 4 november 1847 in Leipzig studeerden.
Auke H. Vlagsma sluit zijn serie ‘Franse renaissancefronten’ af met een bespreking van de orgelkast in de Cathédrale Notre-Dame van Saint-Bertrand-de-Comminges, Haute-Garonne.
Het orgel in de Petrus-en-Pauluskerk te Loppersum en het tijdschrift Het Orgel hebben een gedeeld verleden: onder de titel ‘‘t Lopster örgelspul’ publiceerden archivaris Frans Talstra en orgelstudent Stef Tuinstra in dit tijdschrift tussen 1972 en 1974 een twaalfdelige serie over dit orgel, waarin de restauratie ervan uit de jaren zestig zeer kritisch besproken werd. Dit instrument is vijfenveertig jaar jaar later opnieuw gerestaureerd, nu onder adviseurschap van de toenmalige orgelstudent. Naar aanleiding van deze restauratie beschrijft Sietze de Vries de geschiedenis van het instrument, en in het bijzonder van de kast. Cees van de Poel behandelt de jongste restauratie en geeft een klankimpressie.
Het artikel van Martin Moree geeft een beschouwing over het orgeloeuvre van Paul Christiaan van Westering, die door De Telegraaf eens getypeerd werd als een ‘muzikale krekel’. Tot 1967 componeerde Van Westering regelmatig voor orgel. Diverse grotere composities uit de jaren zestig kwamen tot stand onder invloed van Feike Asma.
Olivier Messiaen ‘leed’ naar eigen zeggen aan synesthesie, de aandoening waarbij zintuiglijke waarnemingen met elkaar worden vermengd, resulterend in bijvoorbeeld het ervaren van een specifieke geur of kleur bij een bepaald geluid, of een smaak bij een visuele waarneming. Peter Ouwerkerk zoekt in zijn artikel een antwoord op de vraag of Messiaens synesthesie feit of fictie is. In het artikel komt ook Messiaens vriendschap ter sprake met de Zwitserse schilder Charles Blanc-Gatti, die in 1936 negen pasteltekeningen maakte bij Messiaens La Nativité du Seigneur.
Jan-Piet Knijff schreef een artikel over de laatste prelude van de acht zogenaamde ‘kleine’ preludes en fuga’s die vroeger aan Johann Sebastian Bach werden toegeschreven. Deze prelude bevat een herhalingsteken na maat 23, waar een korte pedaalsolo een logische overgang vormt naar het begin van de herhaling in maat 14. Maar de overgang van maat 23 naar de slotmaten van de prelude levert een probleem op. Knijff beschrijft dit probleem en biedt een oplossing.
In het vorige nummer schreef Reitze Smits een artikel over een ontbrekende maat in Buxtehudes Ciacona in e. Naar aanleiding hiervan schreef Folkert Binnema een ingezonden waarin hij melding maakt van een ontbrekende maat in twee koraalvoorspelen van Buxtehude.
Cees van der Poel recenseert het boek Het Maakzel van Agricola. De orgels van de Martinikerk te Groningen. Jan Hage bespreekt de compositie septimus angelus van Philipp Maintz en het Leeuwarder Orgelboek.
De rubriek ‘De Achterplaat’ van Frits Zwart handelt dit keer over de bekende organist J.A. de Zwaan, ‘publiek persoon in de hofstad’.

Neem een kijkje in het nummer: