Orgelbouwnieuws: Sprang, kabinetorgel

Het ORGEL | Jaargang 105 | (2009) |
Sprang, kabinetorgel
[Orgelbouwnieuws uit NotaBene  2009-12 december]

Eind 2008 plaatsten Rinus Koole en Co Boogaard, medewerkers vanFlentrop Orgelbouw, in eigen beheer een kabinetorgel bij een particulierin Sprang.
Het instrument maakte deel uit van de collectie huisorgelsvan D.A. Flentrop. Hoewel pijpinscripties ontbreken wijst de factuur vanhet orgel op een bouwjaar in de tweede helft van de negentiende eeuw(1875?). Het is wellicht één van de laatste in Nederland gebouwde historischehuisorgels.
Volgens mondelinge overlevering stond het instrument in de jaren vijftigvan de vorige eeuw in het transept van de Zuiderkerk in Enkhuizen. Laterverplaatste men het naar het laagkoor van de Pieterskerk in Utrecht. Delaatste jaren was het orgel onder dak in het bedrijfspand van Flentrop aande Westzijde in Zaandam.
Het orgel is in nagenoeg ongewijzigde staat overgeleverd; alleen dePrestant D 8′ verdween aan het begin van de twintigste eeuw ten gunstevan een fabrieksexemplaar. In 1988 verving Flentrop deze pijpen voorstilistisch beter passende en restaureerde de windlade.
Een particulieruit Sprang toonde belangstelling voor het instrument, en kon het mededoor de welwillendheid van Marjanska Leeuwerik, kleindochter van D.A.Flentrop, verwerven.
De orgelkas is van massief eiken, afgewerkt met mahonie fineer. Opvallendgenoeg zijn ook de aan het zicht onttrokken delen van de binnenkantvan de kas van fineer voorzien.
Het snijwerk dat de kas bekroont is van mahonie; de versieringen aande buitenzijde van de luiken zijn uitgevoerd in eiken. De luiken draaien intaatsscharnieren. De achterwand bestaat uit twee massief eiken panelen.
Achter het uitneembare paneel aan de voorzijde van de onderkas bevindenzich de mechanieken en de windlade. De in de onderkas aanwezigeuitsparing voor de voetbediening van de schepbalg is oud. Het orgeltjekent een eiken frontraam, de stokken en het sierwerk zijn zwart geschilderd.
In het front staan de pijpen van de Quint 3′, de pijpen van C-G staan intwee buitenste velden met de grootste pijpen aan de buitenzijden. Detussenvelden bevatten gis1d en g1-e. In de holle halfronde middentorenspreken Gis-d. De pijpen in de buitenste velden en de middentoren hebbenopgeworpen labia, voorzien van bladgoud. De frontpijpen hebbeneen hoog tingehalte.
De dieptewerking van het front geeft het orgel eenverrassend kerkorgel-achtig uiterlijk.
De windlade is geheel vervaardigd van eiken, evenals de ventielen. Onderde lade ligt een magazijnbalg met één inspringende vouw met nog deoriginele schepbalg. De belering dateert uit 1988. Bij de toenmalige restauratieis een hechthouten dekplaat op de lade gelijmd en de onderzijdevan de lade met papier beplakt.
De blokken ijzer en lood die dienst doen als balggewicht zijn origineel. Ditgeldt ook voor de inliggende tremulant in het windkanaal tussen de balgen de lade. De windwijzer is aangebracht in het rechter bakstuk van hethandklavier.
De bediening van de schepbalg geschiedde door middel van een metalenpedaal. Dit is thans verwijderd om ruimte te bieden voor een nieuwe aansluitingvan de windmotor. Het treedpedaal is opgeslagen in de kas.
De manuaaltoetsen zijn van eiken, belegd met ivoor en ebben voor respectievelijkde onder- en boventoetsen.
De toetsbeweging wordt door dunne eiken stekertjes overgebracht directnaar de iade of naar een eiken walsbord. De negentiende-eeuwse registeropschriftenzijn met inkt op perkament aangebracht en voorzien vaneen glazen plaatje als afscherming. De messing registerknoppen wordennaar boven getrokken, de kas geeft aanwijzingen dat deze ongebruikelijkebouwmethode misschien al tijdens de bouw is toegepast. Dit geldtook wijzigingen in de walsramen voor de registermechaniek.
De verwijderbare lessenaar is in 1988 gemaakt.
De cancelvolgorde luidt: C-B diatonisch links, Cis-H in hele tonen rechtsen vanaf c chromatisch.
De Prestant D 8′, is gebouwd vanaf h(!) en dateert van 1988.
De HolpijpB/D 8′ is geheel van eiken, de handgrepen aan de stoppen veranderen inde discant van vorm; C en Cis zijn in 1988 vernieuwd.
De Fluit 4′ is ook geheel van eiken, volgens dezelfde makelij als de Holpijp.
De Octaaf 2′ is eigenlijk een Fluit 2′; C-c2 zijn van metaal en gedekt,het vervolg is open.
De Quint 3′ staat vanaf a op de lade.
Het binnenpijpwerk van dit register is uitgevoerd in prestantmensuur. Dehuidige toonhoogte is waarschijnlijk niet origineel.
Bij de laatste werkzaamheden werd de kas grondig schoongemaakt, hethang- en sluitwerk nagezien en enkele slotplaatjes gereconstrueerd naaroude voorbeelden.
Het fineer behoefde veel herstelwerk.
Alle houten pijpwerk is nagezien en waar nodig opnieuw verlijmd, de stoppenzijn opnieuw beleerd en goed passend gemaakt. Het frontpijpwerk isna herstel gepoetst. Met name de intonatie van de houten pijpen is nagelopen;die van het metalen pijpwerk is conserverend geëgaliseerd. Dewinddruk is ongewijzigd en het instrument is op de bestaande toonhoogtegestemd.

Dispositie:

Manuaal (C-f3)
Prestant D 8′
Holpijp B/D 8′
Fluit 4′
Quint 3′
Octaaf 2′

Werktuiglijke registers
tremulant
ventiel
winddruk: 45 mm Wk
toonhoogte: a1= 465 Hz bij 20° C
stemming: evenredig zwevend

Bron: Rinus Koole (Flentrop Orgelbouw)