Orgelbouwnieuws: Delft, Oude Kerk

Het ORGEL |Jaargang 101 |(2005) |
Delft, Oude Kerk
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2005-12 december]

Met een bespeling door Bas de Vroome en Wim Diepenhorst werden op 23 april de gerestaureerde orgels van de Oude Kerk te Delft opnieuw in gebruik genomen. Het grote orgel, in 1857 voltooid door de firma J. Bätz & Co, werd hersteld door Verschueren Orgelbouw. Dezelfde firma restaureerde ook het orgel in de Noordbeuk van de kerk. Het schilderwerk aan deze instrumenten werd uitgevoerd door de firma De Jongh (Waardenburg). Het kabinetorgel is gerestaureerd door Hans van Rossum.

Bij de restauratie van het grote orgel zijn de balgen hersteld en de trappers weer gangbaar gemaakt zodat, indien gewenst, weer met getreden wind kan worden gespeeld. Verder is het walsbord van het Hoofdwerk van nieuwe draaipunten voorzien en is de registermechaniek opnieuw afgeregeld. De dispositie is gedeeltelijk in de originele staat teruggebracht: de Octaaf 2 van het Hoofdwerk en de Woudfluit 2 van het Rugpositief keerden naar hun oorspronkelijke plaats (op Rugpositief respectievelijk Hoofdwerk) terug. Verder is het pijpwerk schoongemaakt en waar nodig hersteld en de intonatie van vooral de tongwerken gecorrigeerd. Tenslotte is de orgelkast opnieuw geschilderd.

Het noordbeukorgel werd in 1873 gebouwd voor de Armenkerk aan de Schoolstraat te Delft. De firma J. Bätz & Co maakte daarbij gebruik van het reeds aanwezige schijnfront van M. Beekes uit 1846, zij het dat het aantal velden werd gereduceerd tot drie. De dispositie luidde bij oplevering als volgt:
Manuaal (C-f3)
Prestant 8
Holfluit 8
Viola 8
Octaaf 4
Mixtuur I-II-III
Pedaal (C-g)
Aangehangen

Op enig moment is het pedaalklavier vervangen door een moderner exemplaar met een grotere omvang. Nadat de Schoolstraatkerk in 1960 werd gesloten kreeg het orgel een nieuwe bestemming in de Noordbeuk van de Oude Kerk. De overplaatsing en bijbehorende restauratie werden uitgevoerd door D.A. Flentrop. De niet sprekende houten frontpijpen werden vervangen door zinken exemplaren terwijl ook het uiterlijk van de kas enigszins werd aangepast. Verder verving men de bestaande Mixtuur door een nieuwe (II-IV) en wijzigde men de Viola 8 in een Octaaf 2. Ook de winddruk, de toonhoogte en de intonatie werden gewijzigd. Bij de thans voltooide restauratie is de oorspronkelijke dispositie hersteld, zij het dat het tweevoets koor uit de Mixtuur nu apart registreerbaar is. Ook de grotere pedaalomvang (C-d1) is gehandhaafd gebleven. Verder is de kast opnieuw geschilderd.

Het kabinetorgel stamt uit de Goudse School en vertoont veel overeenkomsten met instrumenten van Hendrik Hermanus Hess.
Vermoedelijk dateert het in eerste aanleg van vóór 1790.
Niet lang na de bouw werd het orgel gewijzigd en maakten de discantregisters Fluyt 4 en Quint 3 plaats voor een Octaav 4 en een Sexqualter II.
In de dispositieverzameling van Van Eem, die omstreeks 1815 tot stand kwam, wordt het orgel toegeschreven aan Hess. Op dat moment was het eigendom van J. de Vries (Dordrecht). Kort na deze beschrijving is de klavieromvang uitgebreid van C-d3 tot C-f3. Omdat deze uitbreiding en de daarmee samenhangende aanpassingen geheel in stijl met het bestaande werk zijn uitgevoerd, kan worden verondersteld dat dit is gedaan door een orgelmaker die nog geheel in de traditie van de Goudse School heeft gewerkt.

Omstreeks het midden van de 19de eeuw heeft orgelmaker C. Stulting aan het instrument gewerkt.
Mogelijk heeft hij de windvoorziening gewijzigd en houten frontpijpen geplaatst.
Daarnaast heeft hij mogelijk het tertskoor van de Sexqualter weggenomen. In 1940 werkte A.S.J. Dekker (Goes) aan het orgel.
Bij die gelegenheid is de Sexqualter weer van een tertskoor voorzien en kreeg het open metalen pijpwerk stemringen.
Tenslotte volgden in 1960 nog restauratiewerkzaamheden die vooral op het klavier betrekking hadden. Tevens is toen de winddruk verhoogd.
Bij de thans voltooide restauratie zijn de achterregel van de onderkast en de gehele achterwand van de kast gereconstrueerd.
De overige delen van de kast zijn hersteld en vervolgens is het meubel opnieuw in de was gezet. Het orgel is op een nieuw bordes geplaatst en de frontpijpen zijn opnieuw gefolied. Ook de registerplaatjes zijn vernieuwd. De windlade is hersteld en aan beide zijden met nieuw leer beplakt. De ventielen zijn weer op een stilistisch passende wijze aangebracht. De windvoorziening, die in de loop der jaren ingrijpend gewijzigd was, is gereconstrueerd en kan, door middel van een trapper, ook voetmatig worden bediend. De mechanieken en het handklavier zijn op basis van de aangetroffen sporen, naar de factuur van de Goudse School hersteld. Het metalen pijpwerk is schoongemaakt, verlengd en zoveel mogelijk op de oorspronkelijke plaats teruggezet. Het tertskoor van de Sexqualter is in passende factuur bijgemaakt.
Het houten pijpwerk is hersteld. Tenslotte is de winddruk verlaagd en de oorspronkelijke toonhoogte en intonatie hersteld.
Als temperatuur is gekozen voor Vallotti.
Winddruk: 48 mm wk.
Toonhoogte: a1 = 428 Hz bij 17 °C.
De dispositie:

Manuaal (C-f)
Holpyp B/D 8
Prestant D 8
Fluyt B 4
Octaav D 4
Quint B 3
Octaav B/D 2
Sexqualter D II
Ventiel

Bron Orgels van de Oude Kerk te Delft, Delft, 2005; met dank aan Hans van Rossum