Orgelbouwnieuws: Alkmaar, St.-Laurenskerk

Het ORGEL | Jaargang 96 | (2000) |
Alkmaar, St.-Laurenskerk
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2000/12, december ]

Op vrijdag 27 oktober 2000 werd het kleine orgel van de St.-Laurenskerk opnieuw ingebruik genomen. De geschiedenis van dit instrument in de noordelijke kooromgang, hetoudste bespeelbare orgel van Nederland, gaat terug tot aan het begin van de 16de eeuw. Opbasis van het opschrift op een wandbord bij het orgel, wordt aangenomen dat ditinstrument, gebouwd door Jan van Covelens, op 1 mei 1511 werd ingewijd. Archivalia over debouw van het orgel ontbreken echter geheel. Afgaande op het nog bewaarde materiaal mag menaannemen dat Van Covelens een éénklaviers instrument opleverde. De oorspronkelijkedispositie was waarschijnlijk als volgt: Manuaal (FGA-g2a2): Doof 8, Holpijp 8, Koppeldoof4, Openfluit 4, Sifflet 1 1/3, Mixtuur, Scherp, Trompet 8. Vermoedelijk was er ook nog eenaangehangen pedaal aanwezig, maar gegevens daarover zijn niet voorhanden. Ondanks dezebescheiden dispositie gold het instrument als het grote orgel van de St.-Laurenskerk.

In 1545 vervaardigde Claes Willemsz, een leerling van Jan van Covelens, eenborstwerklade met tenminste twee registers; een Quintadeen 8 en een Regaal 8. Deze ladekreeg echter vooralsnog geen eigen klavier, maar werd vanaf het bestaande manuaalbespeeld. Verder repareerde Claes Willemsz twee bestaande Trompetpijpen en bracht hij eentremulant aan. Zes jaar later werkte zijn zoon Allart Claesz aan het orgel. Waarschijnlijkwas hij verantwoordelijk voor de toevoeging van een Trompet 8 voor het pedaal, die eenplaats kreeg in een apart kastje aan de rechterzijde van het orgel. De nieuwepedaaltrompet had een omvang van FGA-c1 zonder de tonen cis en gis.

Aan het einde van de 16de eeuw werkte de Utrechtse orgelmaker Peter Jansz de Swart aanhet instrument, maar over de aard van de door hem uitgevoerde werkzaamheden is maar weinigbekend. Mogelijk vervaardigde hij een nieuwe borstwerklade, aangezien de thans aanwezigelade uit de 16de eeuw van meet af aan voor drie registers blijkt te zijn ingericht. Het isechter ook goed mogelijk dat deze lade nog van Claes Willemsz stamt, en dat de archivaliauit 1545 geen compleet beeld van de toen uitgevoerde werkzaamheden geven. Betergedocumenteerd zijn de wijzigingen die Jan Jacobsz van Lin in 1625 uitvoerde. Hijvervaardigde een nieuwe (conische) Fluit 4 voor het Hoofdwerk, en stelde uit de bestaandeOpenfluit 4 en Sifflet 1 1/3 een ‘nieuwe’ Gemshoorn 2 samen. Op het Borstwerkverving hij de bestaande Toesijn (een Utrechtse aanduiding voor Regaal) door een Octaaf 2.

In 1630 vervaardigde de Amsterdamse orgelmaker Levijn Eekmans drie nieuwe spaanbalgen.Kennelijk was men over het werk van Eekmans erg te spreken, want in de zomer van 1638kreeg hij de opdracht om de twee bestaande koororgels samen te voegen tot een nieuwinstrument dat een plaats zou krijgen aan de westwand van de kerk. Eekmans overleed echterkorte tijd later, zodat van uitvoering van de plannen geen sprake kon zijn. Daarop nam mencontact op met de orgelmakers Van Hagerbeer. Uiteindelijk resulteerde dit in 1639 in eenbestek voor de bouw van een groot nieuw drieklaviers instrument. Het zuidelijke koororgelwerd afgebroken. Het nieuwe Van Hagerbeer-orgel was echter pas in 1646 gereed en tot dietijd speelde het Van Covelens-orgel – als vanouds – de hoofdrol. Ook daarna maakte men nogintensief van dit instrument gebruik. In 1651 voerden Jacobus van Hagerbeer en zijn vadereen grondige renovatie van het kleine orgel uit. Zij vervaardigden ondermeer nieuwe lodenfrontpijpen alsmede een aantal nieuwe registerknoppen. Verder bestaat de mogelijkheid datzij een eigen klavier voor het Borstwerk aanlegden en hieraan tevens een Octaaf D 1toevoegden.

In 1703 restaureerde Johannes Duytschot het kleine orgel. Bij deze gelegenheid werd hetbalkon aan de rechterzijde uitgebreid en bracht men nieuwe luiken aan. Verder wijzigdeDuytschot de pedaalomvang in FGA-b door de Trompet om te stemmen; de omvang van hetpedaalklavier bleef echter ongewijzigd.

Na deze ingrepen raakte het kleine orgel meer en meer op de achtergrond. Weliswaarvonden af en toe herstellingen en kleine wijzigingen plaats, maar pas in 1894 zou eennieuwe restauratie plaatsvinden. In het kader van deze werkzaamheden, uitgevoerd door defirma L. Ypma & Co, vervaardigde men een nieuwe magazijnbalg, alsmede een nieuwemanuaalkoppel, toetstraktuur en klavierbeleg. Op het Borstwerk verving men de bestaandeSexquialter D II, die in 1854 de plaats van de Octaaf D 1 had ingenomen, door een Gamba D8. Tenslotte vernieuwde men delen van de pedaaltrompet alsmede vrijwel de gehele Trompetvan het Hoofdwerk. Het aantal koren van de vulstemmen was reeds vóór 1894 belangrijkgereduceerd.

Omdat het grote orgel vanaf 1937, ten gevolge van een ingrijpende kerkrestauratie, nietmeer gebruikt kon worden, besloot men in 1938 om het kleine orgel nogmaals te restaureren,ditmaal door H.W. Flentrop. Orgelkast, mechanieken en windvoorziening werden hersteldterwijl de registerknoppen, het klavierbeleg, de pijproosters en de windvoorziening(nagenoeg) geheel werden vernieuwd. Verder werd het pijpwerk gerestaureerd en aangevuld enprobeerde men de dispositie te herstellen. Het Hoofdwerk kreeg een nieuwe Scerp III-IValsmede een nieuwe Trompet 8. Het Borstwerk kreeg een nieuwe Sexquialter D II in plaatsvan de Gamba D 8. Verder voegde men op een kantsleep een nieuwe Schivelet 1 toe.

Nadat in 1987 het grote van Hagerbeer-Schnitger-orgel was gerestaureerd startten devoorbereidingen voor een allesomvattende restauratie van het kleine orgel. In eersteinstantie besloot men terug te keren tot de toestand zoals die in 1651 was ontstaan.Gedurende de werkzaamheden werden de plannen echter gewijzigd. Men besloot het Hoofdwerkte herstellen in de toestand van 1511. Dit betekende dat de Fluit 4 (1625) overbodig werden de Gemshoorn 2 weer werd opgesplitst in Openfluit 4 en Sifflet 1 1/3. De Fluit 4 uit1625 kreeg een plaats op het Borstwerk in plaats van het 19de-eeuwse exemplaar dat daarwerd aangetroffen. Voor het overige omvatte de restauratie in grote lijnen de volgendewerkzaamheden:

  • Herstel van het verzakte orgelbalkon alsmede de orgelkast en het snijwerk naar de toestand van 1651.
  • Aanleg van een nieuwe windvoorziening met gebruikmaking van de nog bewaarde oude kanaaldelen.
  • Vervaardiging van nieuwe registerknoppen en herstel van de mechanieken.
  • Restauratie van de windladen en gedeeltelijke vernieuwing van de pijproosters.
  • Restauratie en aanvulling van het pijpwerk inclusief de zijvelden van het front; alle pijpwerk uit 1939 werd verwijderd.

De werkzaamheden werden uitgevoerd door Flentrop Orgelbouw en begeleid door deadviseurs Hans van Nieuwkoop, Jan van Biezen en Koos van de Linde, alsmede Onno B. Wiersmaen Rudi van Straten namens de Rijkdsienst voor de Monumentenzorg.

Dispositie:
Hoofdwerk (Manuaal II, FGA-g2a2, Onderlade): Doof 8 I-II, Koppeldoof 4I-III, Mixtuur II-VI, Scherp III-VI, Trompet 8, (Bovenlade) Holpijp 8, Openfluit 4,Sifflet 1 1/3.
Borstwerk (Manuaal I, FGA-g2a2): Quintadeen 8, Fluit 4, Octaaf 2, OctaafD 1 I-II.
Pedaal (FGA-c1, zonder de tonen cis en gis): Trompet 8.
Koppeling Borstwerk-Hoofdwerk B/D (deling tussen c1 en cis1), Pedaal-Hoofdwerk; Tremulant,Ventiel. Winddruk: 68 mm. wk. Toonhoogte: a1 = 427 Hz bij 18 °C. Temperatuur: Middentoon.

Bron: Willem Jan Cevaal (red.), Alkmaars kleyne orgel. Het koororgel van de St.Laurenskerk te Alkmaar, Zutphen 2000