‘Een orgel is een machine, maar er wordt wel magie bedreven’ – Interview met drie bespelers van beroemde Bätz-orgels: Sander van den Houten, Jan Hage en Matthias Havinga

door Bert den Hertog | Foto's: diverse makers | Het ORGEL | Jaargang 116 | (2020) | Nummer 4

V.l.n.r. Bätz-orgel in Amsterdam, Utrecht en Den Haag. Foto's: Jan Smelik

Het werk van alle generaties orgelmakers Bätz en later Witte neemt een ongemeen belangrijke plaats in in ons orgellandschap. Behalve aandacht voor recente restauraties van orgels van de jubilerende leden van de Bätzfamilie, biedt het ‘Bätz-jaar 2020’ ook de gelegenheid om je licht op te steken bij een aantal bespelers. Sander van den Houten (1987) is sinds april 2017 organist van de Evangelisch Lutherse Kerk in Den Haag en daarmee vaste bespeler van het Johann Heinrich Hartmann Bätz-orgel uit 1762; ook is hij verbonden aan de Burgwalkerk in Kampen.  Jan Hage (1964) is sinds 2011 organist op het Jonathan Bätz-orgel uit 1831 in de Domkerk te Utrecht. In 2016 promoveerde hij met een proefschrift over Willem Mudde.  Matthias Havinga is docent aan het Conservatorium van Amsterdam, organist van de Oude Kerk te Amsterdam, en organist van het Jonathan Bätz-orgel uit 1830 in de Ronde Lutherse Kerk te Amsterdam. Alle drie genieten ze ook grote bekendheid als concertorganist, zowel nationaal als internationaal. ‘Hun’ orgels behoren daarbij tot Nederlands grootste en bekendste Bätz-orgels.
In het interview worden drie hoofdthema’s aangesneden: ten eerste de keuzes bij restauraties, en daarbij de vraag of de staat van een monumentaal orgel onveranderlijk zou moeten zijn en blijven; ten tweede de vraag hoe de ‘Bätz-klank’ te karakteriseren is: hebben we hier te maken met het ultieme ‘Hollandse orgel’?; ten derde een inventarisatie van hoe de orgels in de praktijk van 2020 worden ingezet.

Afbeeldingen