Orgelbouwnieuws

Ouderkerk aan de Amstel, Amstelkerk
[Orgelbouwnieuws uit Het Orgel  2014/04]

 
Foto Roel Habiecht
Op 13 augustus 1775 namen de gereformeerden van Ouderkerk aan de Amstel een nieuwe kerk in gebruik naar ontwerp van Jacob Eduard de Witte (1738–1809), stadsbouwmeester van Amsterdam.
Sporen van een orgel in het kerkgebouw van 1775 zijn te vinden in de bekende dispositieverzameling van Broekhuyzen Senior uit de jaren 1850 tot 1862. Broekhuyzen vermeldde het volgende over een instrument in de Amstelkerk: ‘Het orgel in de kerk der hervormde gemeente aldaar is afkomstig uit de kerk der Waalsche gemeente te Haarlem, aldaar geplaatst in 1816 en tot dit gebouw ingericht door J.C. Friedrichs, orgelmaker te Gouda.’
Volgens een andere negentiende-eeuwse orgelgeschiedschrijver, de Vlaming Edouard Gregoir, werd het instrument bij de plaatsing in Ouderkerk aan de Amstel ‘aangepast’.
Het orgeltje kende een bewogen geschiedenis van bijna tachtig jaar. In 1730 bouwde Hendrik van Giessen een orgel voor de Waalse Kerk in Haarlem. Johan Caspar Friedrichs verving dit orgel in 1808 door een nieuw instrument. Daarvoor gebruikte hij enig pijpwerk van Van Giessen.
De rest van het oude orgel plaatste hij in 1817 als eenklaviers instrument in Ouderkerk aan de Amstel.
In 1865, tijdens de bouw van het Flaes-orgel van Ouderkerk, werd het instrument van Van Giessen/Friedrichs verkocht. Hermanus Knipscheer II plaatste het instrumentje in hetzelfde jaar in het gebouw van de ‘Jongelingsvereniging’ in Ouderkerk aan de Amstel.
In 1867 bracht Knipscheer het orgeltje opnieuw over, dit keer naar de Christelijke Gereformeerde Kerk in Amstelveen. In 1899 kwam het in een nieuw kerkgebouw te staan. In 1908 werd de volgende standplaats de Gereformeerde Kerk van Holysloot. Ten slotte bracht orgelmaker Albert de Graaf het instrument in 1997 na restauratie over naar de Hervormde Kerk van Holysloot.

Flaes en Brünjes-orgel
Het oudste teruggevonden getuigenis van plannen voor een nieuw orgel voor de Amstelkerk dateert van 2 augustus 1864. De kerkvoogdijnotulen van die datum meldden dat men een zekere IJzendijk in de arm nam als adviseur. Deze legde twee orgelontwerpen voor en beval de Amsterdamse orgelbouwers Flaes en Brünjes aan. Overleg met Flaes en Brünjes vond (mogelijk) plaats op vrijdag 7 oktober 1864. De kerkvoogden kozen voor de duurste versie met een vrij pedaal voor de som van 6.000 gulden. Het contract, bestek en tekeningen zijn in de aanloop naar de jongste restauratie niet teruggevonden. De ondertekening van het contract vond plaats op 6 december 1864. De plaatselijke meester-timmerman H. de Kort (aan wie overigens het oude orgeltje werd verkocht) kreeg op 24 januari 1865 de opdracht voor het maken van de nieuwe orgeltribune voor een bedrag van 798 gulden.
Begin november 1865 noteerde men een betaling van ƒ 250,87 aan De Kort voor ‘byzondere werkzaamheden der nieuwe tribune van ’t orgel’. Dit bedrag overschreed de oorspronkelijke aanneemsom met bijna eenderde.
Begin april 1865 bleek dat Flaes de bouw van het orgel had stilgelegd en niet verder kon gaan ‘bevorens de Kerkmeesters gesproken te hebben, vermits Hr Eskes [opzichter] aanmerkelijke veranderingen zou verlangen.’ Er volgde in dezelfde maand overleg en Eskes kreeg zijn zin.
Wat Eskes wilde veranderen, is niet duidelijk. De werkzaamheden aan de tribune voor het orgel werden ongeveer gelijktijdig gestaakt. Een maand na het overleg tussen Eskes en de orgelmaker verzochten de kerkvoogden stukadoor Hartman een prijsopgave te doen voor het maken van een ‘nieuwe nis, dienende tot het Orgel’. Dat verzoek kwam dus pas in een betrekkelijk laat stadium van de bouw. De Ouderkerkse schilder Otto voorzag het orgel van zijn kleur en behalve een stukadoor Hartman was ook een beeldhouwer Hartman betrokken bij de bouw van het orgel. De laatste kreeg 99 gulden betaald.
De opbouw van het orgel in de kerk startte half oktober 1865. In november 1865 was het werk zover gevorderd dat men een zekere L. de Vries uitnodigde de eerste frontpijp te plaatsen. Op 5 december 1865 keurde IJzendijk het voltooide instrument en op 24 december 1865 klonk het orgel ’s morgens voor het eerst in de eredienst; ’s middags was er een orgelconcert, dat door een talrijk publiek bezocht werd.

Periode 1889-1976
Flaes onderhield het orgel tot aan zijn overlijden in 1889. In dat jaar was er contact met orgelmaker Steenkuyl in verband met het onderhoud.
Waarschijnlijk werkte Steenkuyl in 1890 aan het instrument. In april 1891 ontboden de kerkvoogden Steenkuyl voor overleg over ‘eenige reparatien aan het Kerkorgel’. In mei 1891 gunden de kerkvoogden de onderhoudswerkzaamheden echter aan G.F. Jurjaansz, voormalig medewerker van Flaes. Jurjaansz maakte het orgel schoon en verrichtte nog enig ander werk. Tot 1907 volgden er jaarlijks betalingen aan G.F. Jurjaansz, in 1907 aan een zekere Venhaek en van 1909 tot 1911 aan A.W. Jurriaans (vader en zoon spelden hun achternaam op verschillende wijze). In 1908 werd eenmaal betaald aan de weduwe Jurjaansz.
Na een klacht van de balgentreder over lekkages werden de Gebr. Spanjaard uit Alkmaar, die de zaken overgenomen hadden van A.W. Jurriaans, bij het orgel gehaald. Uit de correspondentie van oktober 1911 bleek klip en klaar dat het instrument vanaf de bouw in 1865 over spaanbalgen beschikte. De Gebr. Spanjaard stelden voor deze te vervangen door een magazijnbalg met schepbalgen, trapinstallatie en een regulateur, hetgeen in 1912 geschiedde. Tijdens de werkzaamheden moet er discussie ontstaan zijn over aanpassing van het orgel aan de geldende smaak. De notulen spraken over de plaatsing van een zwelkast, een tremulant en een ‘fox Humano’. Vanwege gebrek aan geld bleef de dispositie van het orgel ongewijzigd. Wel werd toegestaan dat er een beeldengroep kwam ter bekroning van de kas. Beeldhouwer IJzerdraat plaatste in de tweede helft van november 1912 een harpspelende David geflankeerd door twee bazuinende engelen. Daarbij gingen de oorspronkelijke halfronde kappen, die een eenheid vormden met de consoles onder de zijtorens en de middentoren, verloren. De gebroeders Spanjaard hielden tot 1924 het onderhoud van het orgel in portefeuille.
In 1925 bracht firma J. de Koff en Zoon uit Utrecht een offerte uit voor reparatie en schoonmaak van het pijpwerk, de plaatsing van een zwelkast voor het Bovenwerk en een naar haar smaak bijbehorende Vox Coelestis 8’ op een pneumatische bijlade, toevoeging van een pedaalkoppel naar het Bovenwerk en de levering van een elektrische windmotor. Het college van kerkvoogden besloot in april 1926 tot schoonmaak, stemming en intonatie van het pijpwerk en plaatsing van een ‘tramulant … die in 3 tempo’s werkt’. Uiteindelijk werd in dat jaar het orgel alleen gestemd. In juni 1927 voerde De Koff de onderhoudswerkzaamheden uit: reiniging van het hele orgel, schoonmaak, stemming en klankafwerking van het pijpwerk en klein onderhoud aan de balgen en diverse assen en draaipunten in de mechaniek. In 1927 kreeg het kerkgebouw elektrisch licht en het orgel een elektrische windmotor.
De Koff stemde het instrument tot 1934.
Vanaf 1935 was het onderhoud in handen van H. Spanjaard, woonachtig in Ouderkerk.
Einde jaren dertig leed het orgel onder houtworm en in de tweede helft van de oorlogsjaren en vlak daarna wezen aanzienlijk hogere orgelmakerskosten op problemen met het instrument. In 1947 ging het onderhoud zonder medeweten van de kerkvoogdij over van vader op zoon Spanjaard, na overlijden van de eerste. Dat wekte ergernis en toen Spanjaard niet was komen opdagen voor een onderhoud over deze kwestie, wendde de kerkvoogdij zich weer tot De Koff uit Utrecht.
Blijkens de rekeningboeken nam in 1953 orgelmaker A. Bik het stokje over van De Koff. Een forse uitgave in 1954 doet flinke ingrepen vermoeden.
In 1960 volgden de grootste ingrepen uit het bestaan van het orgel. Orgelmaker Verschueren maakte het hele orgel schoon en restaureerde de windladen, waarbij de cancellen werden voorzien van windontlaten die de aanspraaksnelheid van het pijpwerk bij toonrepetitie moesten versnellen. Er werd een sleepafdichtingssysteem toegepast met telescoophulzen.
Verschueren verving slechte delen van de mechaniek en voerde draaipunten in met kernlaken. De orgelmaker herzag de windvoorziening grondig door de toevoeging van regulateurbalgen voor ieder werk. Het aantal windinlaten werd vergroot en verplaatst naar het midden van de windladen. Verschueren voegde aan de manuaalladen kantslepen met hoge vulstemmen toe: een Scherp voor het Hoofdwerk, en een Sesquialter en Cimbel voor het Bovenwerk. De pedaallade kreeg een kantsleep met een Prestant 4’. Het pedaalklavier werd vervangen door een moderner exemplaar, evenals de orgelbank, en er kwamen nieuwe registeropschriften. De voorgenomen pedaalkoppel naar het tweede klavier werd (opnieuw) niet uitgevoerd.
In 1976 maakte Flentrop onder advies van Willem Hülsman het orgel schoon, herstelde de houten pijpen en voerde het pedaalklavier opnieuw in. In 1993/94 volgde schoonmaak van de tongwerken en een intonatiecorrectie van (een deel van) het overige pijpwerk. In 2004 zijn lekkages van de magazijnbalg verholpen.

Recente restauratie
Het orgel vertoonde, ondanks de kleinere ingrepen, steeds meer mankementen.
In 2008 bracht Cees van der Poel voor de Commissie Orgelzaken voor de Protestantse Kerk in Nederland een basisadvies uit. Dat rapport werd in samenwerking met Rogér van Dijk in hetzelfde jaar uitgewerkt tot een restauratieplan.
In 2010 volgde een offertetraject op basis van het restauratieplan, waarin drie orgelmakers dongen naar de uitvoering van de restauratie.
De kerkrentmeesters kozen voor de firma Flentrop Orgelbouw uit Zaandam. Nadien werden de pogingen rijkssubsidie te verwerven telkens beantwoord met een afwijzing. In 2012 besloot het college van kerkrentmeesters de restauratie in opdracht te geven. Er waren giften voor de orgelrestauratie, en het Coöperatief Fonds van Rabobank Amstel en Vecht en in een later stadium de provincie Noord-Holland zegden subsidie toe.
Het contract met Flentrop werd getekend in december 2012 en begin maart 2013 startte de orgelmaker met de demontage van het instrument.
Half oktober 2013 keerden de gerestaureerde onderdelen terug naar de Amstelkerk en begon de montage van het orgel. Ten slotte vonden de intonatiewerkzaamheden plaats en op 15 december 2013 klonk het orgel weer in de eredienst.
Op vrijdag 24 januari 2014 presenteerde de Protestantse Gemeente van Ouderkerk aan de Amstel het orgel officieel aan de gemeente en het bredere publiek. Bij die feestelijke gelegenheid bespeelden organist Eric Jan Joosse, orgelmaker Jan Spijker en adviseur Cees van der Poel het herboren orgel. Rogier van Dijk adviseerde mede, terwijl Rudi van Straten namens de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed bij de restauratie was betrokken. De kerkrentmeesters brachten ter gelegenheid van de restauratie de brochure Het Flaes-orgel van de Amstelkerk gerestaureerd uit.
De orgelmaker heeft twee multiplexen panelen vervangen door panelen in massief hout, in aansluiting bij de rest van de kas. Het snijwerk is nagezien en gerepareerd waar nodig, losse stukken zijn weer bevestigd.
De frontpijpen zijn gepoetst. Schilder De Wilde (Uithoorn) heeft de kas opnieuw geschilderd in de bestaande kleur met een hogere glansgraad.
Het verguldwerk (een mengeling van bladgoud en goudkleurige verf) is schoongemaakt en gehandhaafd. De gestuukte onderzijde van het orgelbalkon is gerepareerd en gewit. De gipsen beelden op het orgel zijn schoongemaakt en van een roomwitte kleur voorzien. De speeltafel kreeg een nieuw eiken pedaalklavier naar het voorbeeld van het orgel dat Flaes in 1867 voor Diemerbrug maakte. Er is een nieuwe eiken orgelbank gemaakt naar het voorbeeld van die van het Flaes-orgel in de Oostzijderkerk in Zaandam (1863). Het originele knieschot en lessenaarsbak zijn gerepareerd. De bakstukken en klavieromlijsting zijn gerestaureerd. De speling in de toetsen is weggenomen. Enkele ondertoetsen van het eerste manuaal kregen nieuwe stukjes beleg.
De aanwezige eiken registerstroken (1960?) zijn aan de achterzijde beschilderd met nieuwe registeropschriften; enkele registernamen zijn gewijzigd in Flaes-stijl, de beschrifting is naar het voorbeeld van het orgel in de Oostzijderkerk in Zaandam.
De kanalisering en de drie regulateurbalgen uit 1960 zijn verwijderd.
Aan de hand van sporen aanwezig in de oude kanaaldelen, in de vloer, op de kas en in de windladen kon de kanalisering van Flaes in de orgelkas worden hersteld (zonder afsluiters). Voor de manuaalwerken is besloten twee kleine schokbalgjes toe te voegen. Hiermee is de situatie van 1912 hersteld.
De windladen zijn gedemonteerd tot op het cancellenraam; totaalrestauratie van sponsels en scheien bleek nodig. De verende hulzen van de sleepafdichting van 1960 zijn verwijderd, de overgebleven gaten gepropt en opnieuw opgeboord. De ladelichamen zijn aan onder- en bovenzijde doorgaand beleerd. Aan de bovenzijde en onder de pijpstokken kwamen textielen ringen. De ventielen zijn gevlakt en dubbel beleerd; pulpeten en draadwerk zijn vernieuwd in klassieke stijl.
De kantsleep van het Hoofdwerk is verwijderd. Voor nieuwe kantslepen van het Pedaal en Bovenwerk zijn goede delen van de oude kantslepen hergebruikt.
Overbodige registermechaniek is verwijderd. De registermechaniek is nagezien op speling.
De zwevende winkelhaakregels van Hoofdwerk en Bovenwerk uit 1960 zijn vervangen door klassieke gefixeerde exemplaren. Een deel van de nokjes van wellenborden van Hoofdwerk en Bovenwerk (1960) is vervangen metalen hoekjes naar het voorbeeld van onder meer het Flaes-orgel in Koog aan de Zaan. De nokjes die nog origineel waren, zijn voorzien van een stelschroef in Flaes-stijl. De wellen draaien nu weer aan beide zijden in een puntlagering. De wellenarmpjes zijn vervangen in originele stijl.
Al het pijpwerk is schoongemaakt en gerepareerd waar nodig. Het houten pijpwerk onderging een totaalrestauratie. Daarbij werden de originele opsnedes van de Bourdon 16’ (HW) en de Subbas 16’ (Ped) hersteld. De later aangebrachte zijbaarden van de Salicionaal en Viola di Gamba (BW) zijn verwijderd. De Scherp (HW) en de Cimbel (BW) keerden niet terug. De Sesquialter (BW) is opnieuw samengesteld uit pijpwerk van de Scherp in een mensuur die aansluit bij de prestanten van Flaes. De Prestant 4’ van het Pedaal (1960) is een hele toon opgeschoven, de pijpen zijn voorzien van expressions en zijbaarden. Uitgangspunt voor de intonatie was de bestaande situatie en toonhoogte.
Waar nodig is de klankgeving gecorrigeerd. Ten slotte is het orgel generaal gestemd.


Foto: Cees van der Poel

Dispositie (registers in ladevolgorde vanaf het front)

Hoofdwerk (I, C–f³)
Cornet 4 sterk opgesteld op twee verhoogde banken; c¹–c² 8’-koor en c¹–f¹ 4’-koor expressions, overig pijpwerk op lengte gesneden; samenstelling: c¹ 4, 22/3, 2, 11/3
Prestant 8 Vt C–a¹ in het front, vervolg op de lade; C–b² expressions, h²–f³ op lengte
Bourdon 16 Vt C–h hout, gedekt afgevoerd; c¹–f³ metaal, gedekt met zijbaarden
Roorfluit 8 Vt C–H hout, gedekt; c–f³ roergedekt met zijbaarden
Octaaf 4 Vt C–c² expressions, cis²–f³ op lengte gesneden
Quint 3 Vt C–f¹ expressions, fis¹–f³ op lengte gesneden
Gedekte Fluit 4 Vt C–f² gedekt met zijbaarden, fis²–f³ op lengte gesneden
Octaaf 2 Vt C–c¹ expressions; cis¹–f³ op lengte gesneden
Mixtuur 3 sterk expressions, vanaf ½’ op lengte gesneden; samenstelling: C 2 11/3 1 c 22/3 2 11/3 c¹ 4 22/3 2 c² 51/3 4 22/3
Trompet 8 Vt disc
Trompet 8 Vt bas metalen stevels met messing banden, loden opliggende koppen, metalen trechtervormige bekers op lengte
   
Bovenwerk (II, C–f³)
Salicionaal 8 Vt C–Fis in het front, rechter zijtoren, G–A direct daarachter, B–f³ op de lade; C–c³ expressions, cis³–f³ op lengte gesneden
Viola di Gamba 8 Vt C–Fis gecombineerd met Salicionaal, G–A afgevoerd achter frontpijpen rechter zijtoren; B–f³ op de lade; G–c³ expressions; cis³–f³ op lengte gesneden
Holpijp 8 Vt C–H hout, gedekt; c–f³ metaal, gedekt met zijbaarden
Octaaf 4 Vt C–c² expressions; cis²–f³ op lengte gesneden
Roorfluit 4 Vt C–f² roergedekt; fis²–f³ cilindrisch, op lengte gesneden
Gemshoorn 2 Vt conisch; C–c¹ expressions; cis¹–f³ op lengte
Dulciaan 8 Vt metalen stevels met messing banden, loden opliggende koppen, metalen cilindrische bekers op lengte
Sesquialter 2 sterk 1960/2013; op kantsleep; vanaf gis; samenstelling: gis 22/3, 13/5
   
Pedaal (C–d¹)
Octaaf 4 Vt 1960/2013; op kantsleep; metaal; C–H zijbaarden; gehele register expressions
Trombone 8 Vt metalen stevels met messing banden, loden opliggende koppen, metalen trechtervormige bekers op lengte
Octaafbas 8 Vt metaal; gehele register zijbaarden en expressions
Subbas 16 Vt eiken; gedekt

Foot: Cees van der Poel

Werktuiglijke registers
Koppeling Bovenclavier (manuaalkoppeling), Koppeling Pedaal (koppeling Hoofdwerk aan Pedaal)
toonhoogte: a¹=443 Hz bij 18,5°C
winddruk: 82 mm wk
stemming: evenredig zwevend

CEES VAN DER POEL

Bronnen: