Orgelbouwnieuws

St .-Nicolaasga, St .-Nicolaaskerk
[Orgelbouwnieuws uit Het Orgel  2013/01]

 

In St.-Nicolaasga, door de inwoners St.-Nyk genoemd, is een neogotische kruisbasiliek te vinden die gebouwd is in 1887. Architect was de Fries Jan Doedes van der Weide. De 61 meter hoge toren is al van verre te zien.
De huidige kerk verving een kerkgebouw uit 1833. In de archieven is te lezen dat vervanging van die kerk noodzakelijk was: ‘het kerkgebouw kon de gelovigen niet meer bevatten’. De vorige kerk beschikte over een orgel uit 1858, gebouwd door de Gebroeders Carel en Piet Adema uit Leeuwarden. Dat instrument stond op een balustrade opgesteld en had de volgende dispositie:

Manuaal (I C-f3) Positief (C-f3) Pedaal (C-c1)
Bourdon 16’  Holfluit 8’ Aangehangen
Prestant 8’ Viola 8’  
Octaaf 4’ Roerfluit 4’  
Quint 3’ Gemshoorn 2’  
Octaaf 2’    
Cornet 5 st. D (v.a. c¹)    

Werktuiglijke registers
Manuaalkoppel

Na de bouw van de huidige kerk brachten Carel Adema en zijn zonen Lambertus en Sybrandus het instrument over naar het huidige kerkgebouw; het kreeg een plaats op een tribune. Tijdens deze plaatsing werd de dispositie gewijzigd: de Cornet werd vervangen door een Fernfluit 8’ D, de Gemshoorn 2’ door een Violon 8’. Tevens brachten ze een kleine wijziging aan in de onderkas.
Na deze wijziging bleef het instrument ongemoeid, totdat het in 1922 vervangen werd door een nieuw instrument van orgelmaker Th. Jos.
Vermeulen uit Alkmaar. Het Adema-orgel werd door H.W. Flentrop geplaatst in de Hervormde Kerk van Oost-Knollendam. Daarbij werd ook de dispositie aangepast: op het Positief voegde hij een Tremolo toe en hij wijzigde de Violon 8’ in een Celeste 8’, waarschijnlijk door de pijpen zwevend te stemmen. In 1967, twee jaar na de sluiting van dit kerkgebouw, plaatste zijn zoon Dirk Andries Flentrop het instrument, na restauratie, in de hervormde Goede Herderkerk in Terneuzen. Daarbij vernieuwde hij de windvoorziening, verwijderde hij de Tremolo op het Positief en maakte hij de registerwijzigingen uit 1888 en 1928 ongedaan. Thans is het nog het enige orgel van de Gebr. Adema met achterkantbespeling.
Vanaf 1897 werkte Th. Jos. Vermeulen bij de weduwe van Lodewijk Ypma te Alkmaar, die na het overlijden van haar man in 1887 de orgelmakerij voortzette. In 1900 ging zij met Vermeulen een compagnonschap aan, dat duurde tot haar overlijden in 1902. Daarna kwam de leiding in handen van Th. Jos. Vermeulen die nog ruim twintig jaar de naam ‘Fa. Ypma’ voerde.
In tegenstelling tot het mechanische Adema-orgel was het door Vermeulen geleverde instrument voorzien van een pneumatische tractuur. Ook was het uitgerust met kegelladen in plaats van de klassieke sleepladen.

De dispositie was als volgt:
Manuaal (I, C-f³) Zwelwerk (II, C-f³) Pedaal (C-d¹)
Bourdon 16’  Solofluit 8’ Subbas 16’
Prestant 8’ Viola di Gamba 8’ Fluitbas 8’
Fluit harmoniek 8’ Voix céleste 8’ Fagot 16’
Dolce 8’ Holpijp 8’  
Octaaf 4’ Flûte octaviante 4’  
Mixtuur 2-4 sterk Piccolo 2’  
Trompet 8’  Basson-Hobo 8’  
Tremolo    

Speelhulpen: I+II, P+I, P+II, I+I 4’, I+II 16’
Drukknoppen: Autom. pedaal, MF-F-FF-T, Oplosser
Balanstrede voor het Zwelwerk

Het orgel werd op 17 december 1922 om 14.00 uur ingewijd door Pastoor J. Bentla, waarna het Lof volgde. De inspeling daarna werd verzorgd door Willem van Kalmthout uit Tilburg met werken van Edward Elgar, Otto Malling, César Franck, Charles-Marie Widor en Alexandre Guilmant.
Een halve eeuw na de plaatsing van het Ypma/Vermeulen-orgel was dit instrument toe aan groot onderhoud. Toen de parochie voor de keuze stond, herstel of vervanging, bleek het uit 1870 daterende Ypma-orgel van de rooms-katholieke St.-Jacobuskerk te Akersloot beschikbaar te zijn en koos het kerkbestuur in St-Nicolaasga voor de aanschaf daarvan.
In Akersloot wendde men zich in 1868 of 1869 tot de in het Alkmaar gevestigde orgelmaker Lodewijk Ypma voor de bouw van een nieuw instrument. Volgens het contract, waarin ook de oorspronkelijke dispositie is te vinden, kostte het orgel ƒ 4.000 en zou het op 1 augustus 1870 moeten worden opgeleverd.
Het orgel was voorzien van een gesneden neogotisch front en had twee klavieren (Hoofdmanuaal en Bovenwerk) met elk 54 toetsen (C-f³), en een aangehangen pedaal met 25 toetsen (C-c¹). De kas was een werkstuk van Frans Kuipers te ’s-Hertogenbosch. Kuipers was werkzaam voor het atelier van Louis Veneman aldaar, die het overige meubilair van de St.-Jacobuskerk leverde. De ebbenhouten registerknoppen werden gedraaid door C. Fischer, ‘kunstdraaier te Amsterdam’, en de registerplaatjes werden beschilderd door de eveneens in Amsterdam gevestigde porseleinschilder Jos Hooghard.
Op een onbekend moment, vermoedelijk ergens tussen 1910 en 1940, verdween de Quintfluit 3’ van het Bovenwerk ten gunste van een Voix Céleste 8’. In 1962 voerde Vermeulen te Alkmaar een schoonmaak en herstelbeurt uit, waarbij niet alleen de windladen werden gerestaureerd, maar ook de dispositie van het Bovenwerk werd gewijzigd: de later aangebrachte Voix Céleste 8’ werd vervangen door een Quint 11/3’, tevens werd een Dulciaan 8’ toegevoegd op een kantsleep. De werkzaamheden vonden plaats onder advies van pastoor P.J. de Bruijn (namens de Katholieke Klokken- en Orgelraad), die tevens het instrument bij de ingebruikneming op zondag 27 mei voor en na het Lof bespeelde.

In 1968 werd het besluit genomen dat de St.-Jacobuskerk moest sluiten wegens plannen voor een nieuw te bouwen kerk. In 1971 volgde de demontage en opslag van het Ypma-orgel in afwachting van plaatsing in het nieuwe kerkgebouw. Daar bleek uiteindelijk geen plaats te zijn voor het orgel. Het instrument kwam daardoor beschikbaar voor plaatsing elders.
Nadat de parochie van St.-Nicolaasga het orgel van Akersloot had aangekocht, ontving orgelbouwer Vermeulen te Alkmaar, bij wie het lag opgeslagen, de opdracht het instrument in de St.-Nicolaaskerk op te stellen. Tijdens deze overplaatsing werd het instrument uitgebreid met een vrij pedaal, waarvan de windlade geplaatst werd achter de hoofdkas. Ook wijzigde Vermeulen de Quint 11/3’ van het Bovenwerk in een Flageolet 1’.
Ook de oorspronkelijke magazijnbalg met dubbele vouw werd vervangen door drie nieuwe, kleinere exemplaren met een enkele vouw en met spiraalveren in plaats van gewichten, voor elk werk één. De reden zal mede geweest zijn dat om het orgel in de St. Nicolaaskerk te kunnen plaatsen, de kas op een aantal punten moest worden gewijzigd.
Gezien de breedte van de scheidingsboog tussen de torenkamer en het schip van de kerk moest de claviatuur naar het midden worden verplaatst, waardoor zowel de toets- als de registertractuur moesten worden aangepast. Gevolg van de verplaatsing van de claviatuur was dat de beide buitenste panelen van de onderkas grotendeels moesten verdwijnen, aan de linkerzijde om de organist de mogelijkheid te bieden zijn blik ook naar het altaar te richten, en aan de rechterzijde om een doorgang te creëren tussen de ruimte in de toren achter het orgel en de tribune.Ook deze verplaatsing vond plaats onder advies van P.J. de Bruijn.
De ingebruikneming volgde op 11 mei 1975 ’s avonds. Nadat pastoor R.H.F. Hegge een welkomstwoord en het inzegeningsgebed had uitgesproken, volgde een bespeling door Albert de Klerk. Op zijn programma stonden werken van Alexandre Boëly, Giambattista Martini, Carl Philipp Emanuel Bach, Wolfgang Amadeus Mozart en Joseph Haydn, en een improvisatie van de concertgever.

Men was van meet af aan toch ietwat ongelukkig over de klank en de akoestiek: te zwak en onsamenhangend. Het verhogen van de winddruk (van 75 naar 85 mm Wk) werd gezien als één van de mogelijke oplossingen. Daarnaast kreeg het orgel een nieuwe achterwand en een nieuw grenen dak en vervaardigde men een koof achter het orgel.
In klimatologisch opzicht werd het instrument hierdoor beter beschermd en werd er wel enig positief resultaat geboekt, maar de klank bleef nog steeds onbevredigend.
In de loop der jaren ging ook de conditie van de windladen achteruit en raakte het orgel vervuild. Dit vormde de aanleiding tot een totale aanpak van zowel de technische als de akoestische problemen.
In het jaar 2000 werd Ton van Eck aangesteld als adviseur namens de Katholieke Klokken- en Orgelraad. Er werd een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Wim Raven uit Linschoten. Uit zijn rapport bleek dat, mede omdat het kerkgebouw van rijkswege was beschermd en omdat het orgel relatief hoog was opgesteld, de mogelijkheden om de klankuitstraling van het instrument naar beneden in het schip te verbeteren beperkt waren. Uit onderzoek aan het instrument zelf bleek tevens dat er een klankverbetering zou kunnen worden verwacht door een aantal ingrepen uit 1962 en 1975 terug te draaien, zoals de telescoopveren in de pijpstok en de intonatiewijzigingen.

Orgelmakerij Bakker & Timmenga BV uit Leeuwarden, die het instrument in onderhoud had, voerde hierbij een proef uit om een indruk te krijgen van het effect van herintonatie. Van enkele pijpen van één van de prestantregisters van het Hoofdmanuaal werden de intonatieingrepen uit 1975 ongedaan gemaakt en ze werden geïntoneerd als in de negentiende-eeuwse traditie. De draagkracht van deze pijpen bleek ten opzichte van die van de omringende pijpen toegenomen. Een gelijksoortig, iets jonger Ypma-orgel in een akoestisch slechtere ruimte, namelijk het instrument in de rooms-katholieke H.-Adrianuskerk te Langeraar uit 1875, dat qua intonatie niet was gewijzigd, kon dienen als referentie. Dat orgel had, zeker na de laatste restauratie van de
windladen, bewezen dat ook in St.-Nicolaasga de totaalklank draagkrachtiger zou kunnen worden dan deze op dat moment was.
Na de proefneming stelde adviseur Van Eck een restauratieplan op.
Orgelmakerij Bakker & Timmenga BV kreeg de opdracht het Ypmaorgel te restaureren.

In 2010 is het orgel gedemonteerd. De kas is tijdens de restauratie verhoogd, door het geheel op een 30 cm hoge sokkel te plaatsen om zo aan de rechterzijde een onderdoorgang te kunnen realiseren.
Voor aanvang van de restauratie was de winddruk ongeveer 87 mm.
Enkele jaren na de plaatsing in St.-Nicolaasga was deze al verhoogd op advies van J.J. van der Harst. Uit gegevens rond Ypma is bekend dat Dirk Sjoerds Ypma in Leimuiden in 1856 al 35 graden voorstelde, wat overeenkomt met zo’n 88 mm Wk. Dit leidde tot de conclusie dat ook in St.-Nicolaasga de oorspronkelijke winddruk zeker niet zo laag is geweest als de 75 mm waarvoor men in 1975 had gekozen. Bij de huidige restauratie werd, na enkele experimenten, de winddruk proefondervindelijk vastgesteld op 85 mm Wk.
De oorspronkelijke magazijnbalg met in- en uitslaande vouw was in 1975 vervangen door drie kleinere exemplaren met een enkele vouw en met spiraalveren in plaats van gewichten. De aanwezige balgen voor het Hoofdmanuaal en het Bovenwerk werden vervangen door een gebruikte magazijnbalg van voldoende grootte met in- en uitslaande vouw en ondergelegen magazijn uit de voorraad van de orgelmaker, die deze balg geheel heeft gerestaureerd. Tevens is de kanalisatie, vanaf 1975 wetsaflex buis, vervangen door nieuwe eiken kanalen.
De tremulant is vervangen door een nieuw exemplaar, vervaardigd naar het voorbeeld van Ypma.
De windladen zijn geheel gedemonteerd en gerestaureerd. De in 1962 aan de onderzijde van de pijpstokken aangebrachte verende hulzen en ringen zijn verwijderd, de opgeboorde gaten gestopt en weer in de oorspronkelijke diameter geboord. Daarna zijn onder de stokken en op de inmiddels met leer beklede bovenzijde van de lade geweven viltringen aangebracht om eventuele negatieve invloeden vanwege de wisselende klimatologische omstandigheden op te vangen. De westaflex conducten zijn vervangen door loodconducten.
Het volledige pijpwerk is schoongemaakt en waar nodig hersteld. De intonatiemethode van de jaren zeventig uit de vorige eeuw, die onder invloed stond van de neobarok, werd ongedaan gemaakt. Hiervoor kwam in de plaats een intonatie passend bij het klankbeeld van de negentiende eeuw: een toonvorming met meer draagkracht en grondtoon.
De verdwenen Quintfluit 3’ is gereconstrueerd met behulp van enkele door de adviseur aangedragen gegevens, de constructieringen op de pijpstok, die tevoorschijn kwamen na de verwijdering van de opdik, en de maatvoering van de overige fluitregisters. Voor dit register is een nieuw, porseleinen registerplaatje in stijl vervaardigd. Ondanks de aanvankelijke plannen om de Dulciaan 8’ van het Bovenwerk uit 1962 te vervangen door een Clarinet 8’ naar het voorbeeld van het gelijknamige register in het Ypma-orgel te Langeraar, is, mede in verband met de hoge kosten, die niet subsidiabel waren, besloten de Dulciaan te handhaven en qua intonatie aan te passen.
Op zondag 24 april 2011, Eerste Paasdag, is het orgel tijdens een feestelijke viering in gebruik genomen. Zaterdag 7 mei 2011 heeft de officiële inspeling van het gerestaureerde orgel plaatsgevonden door middel van een concert, gegeven door de adviseur.

Het pijpwerk stamt uit 1870, tenzij anders vermeld, is open, cilindrisch en van orgelmetaal. Houten pijpen zijn van wagenschot eiken. Het open metalen pijpwerk heeft geritste spitsbooglabia en rondgeritste onderlabia. De gedekte metalen pijpen hebben rondgeritste boven- en onderlabia en zijbaarden; de kleinste metalen pijpen hebben bijgedrukte labia.

Dispositie:
Hoofdmanuaal (C-f³)  
Prestant 8’  C-e in het front, f-h afgevoerd tussen beide ladedelen, vanaf c¹ op de lade; f-h twee stemkrullen per pijp, c¹-f² een stemkrul, fis²-f³ zonder steminrichting
Salicet 8’  C-H gecombineerd met Prestant 8’; c-cis² expressions, d²-f³ een stemkrul (mogelijk later ingekort)
Bourdon 16’  gedekt ; C-h eiken, afgevoerd; c¹-f³ metaal, op de lade
Holpijp 8’  C-H eiken, afgevoerd, c-f³ metaal, op de lade
Cornet 4 sterk  vanaf c¹; samenstelling: 8 - 4 - 22/3 - 13/5 8-koor: gedekt 4-koor: c¹-a¹ stemkrul, bes¹-f³ zonder steminrichting 2²/3-koor zonder steminrichting 13/5-koor zonder steminrichting
Octaaf 4’  C-g twee stemkrullen, gis-dis¹ een stemkrul, e¹-f³ zonder steminrichting
Quint 3’  C-B twee stemkrullen, H-a een stemkrul, h-f³ zonder steminrichting
Fluit 4’  C-c² gedekt; cis²-f³ open, conisch, zonder steminrichting.
Octaaf 2’  C-F twee stemkrullen, Fis-h een stemkrul, c¹-f³ zonder steminrichting
Mixtuur 2-3-4 st.  in werkelijkheid 2-5 sterk: C 2 11/3 c 2²/3 2 11/3 c¹ 4 2²/3 2 11/3 c² 51/3 4 2²/3 2 c³ 8 51/3 4 2²/3 2 11/3- koor: C-Gis een stemkrul, A-h¹ zonder steminrichting  2 - koor: C-F twee stemkrullen, Fis-h een stemkrul, c¹-f³ zonder steminrichting 22/3-koor: c-gis een stemkrul, a-f³ zonder steminrichting 4-koor: c¹-dis¹ een stemkrul, e¹-f³ zonder steminrichting 51/3-koor: c²-f³ zonder steminrichting 8-koor: c³-f³ zonder steminrichting
Trompet 8’  metalen stevels met tinnen banden, mahonie koppen, messing kelen, trechtervormige orgelmetalen bekers


Bovenwerk (C-f³)  
Prestant 8’  C-E gecombineerd met de Bourdon 8’, F-fis in het front; g-f³ op de lade, g-h twee stemkrullen, c¹-h² een stemkrul, c³-f³ zonder steminrichting
Viola di Gamba 8’  C-H gecombineerd met de Bourdon 8’, c-f³ stemkrullen (mogelijk ingekort waardoor de expressions zijn verdwenen)
Bourdon 8’  gedekt; C-H eiken; c-f³ metaal
Roerfluit 4’  C-c² roergedekt, cis²-f³ open conisch, cis² uit 1962, d²-f³ is oorspronkelijk cis²-e³
Quintfluit 3’  2011, gereconstrueerd; C-h¹ gedekt; c²-f³ open conisch, zonder steminrichting
Speelfluit 2’  open, conisch, zonder steminrichting; C draagt de inscriptie: Gemshoorn 2vt
Dulciaan 8’  1962, metalen stevels en bekers, loden koppen, messing kelen; bekers cilindrisch met conisch ondergedeelte; dekseltjes met deels geopende klepjes


Pedaal C-d¹  
Subbas 16’  1922; C-d¹ grenen
Prestant 8’  ca. 1900, geperste labia, expressions
Octaaf 4’  ca. 1900, geperste labia, expressions
Bazuin 16’  1975; houten stevels; bekers orgelmetaal



Werktuiglijke registers
Klavierkoppel 1870
Pedaalkoppel 1975
Tremulant 2010 reconstructie van de oorspronkelijke kanaaltremulant
Calcant 1870 Ventiel – deze oude knop is hiervoor gebruikt
Toonhoogte a1 = 438 Hz bij 17º C
Winddruk hoofdbalg (Hoofdmanuaal en Bovenwerk): 85 mm Wk; regulateur Pedaal: 94 mm Wk
Stemming evenredig zwevend

HENK DE VRIES

Bronnen:
Rapport Ton van Eck, (2007); Ton van Eck, Orgels in de Rooms-katholieke kerken van Sint-Nicolaasga (Sint-Nicolaasga 2011);
mededelingen Ton van Eck;
Het Historische Orgel (2003) deel 1858-1865 (Amsterdam 2003) 77-79;
Het Historische Orgel (2004) deel 1865-1872 (Amsterdam 2004) 356-358.
http://www.aldefrysketsjerken.nl/kerkbeschrijvingen/S/St.Nicolaasga2010.pdf  (Geraadpleegd: 10 november 2012)
http://www.reliwiki.nl/index.php?title=Sint_Nicolaasga,_Kerkstraat_14_-_Nicolaas  (Geraadpleegd: 10 november 2012)