Orgelbouwnieuws

Meppel, Kruiskerk
[Orgelbouwnieuws uit Het Orgel  2012/02]

 


Foto's: Jan Smelik

 

In 1958 nam de Gereformeerde Kerk van Meppel een tweede kerkgebouw in gebruik, de Nieuwe Kerk.
Vijf jaar later werd in dit gebouw (een ontwerp van architect B.W. Plooy) een Leeflang-orgel geplaatst, waarbij D.W.L. Milo en W. Houtman namens de Gereformeerde Organisten Vereniging als adviseurs optraden.
De Nieuwe Kerk werd in 1994 verkocht aan de Gereformeerde Kerk (vrijg.), die het gebouw omdoopte tot Kruiskerk, om het gebouw te onderscheiden van de Opstandingskerk, die de vrijgemaakten in 1974 in gebruik genomen hadden en waar Mense Ruiter Orgelbouw in 1986 een orgel had geplaatst.
In 2007 gingen de twee vrijgemaakte gemeenten in een gebouw, de Kruiskerk, kerken en werd de Opstandingskerk verkocht aan de r.-k. parochie St.-Stephanus. Aan de Kruiskerk werd niet alleen een modern zalencomplex toegevoegd, ook werd de kerkzaal opnieuw ingericht en werden grotere galerijen geplaatst om het aantal zitplaatsen te vergroten.
Organisten en gemeente vonden het orgel van de Kruiskerk onbevredigend vanwege de dunne en hoge klank met weinig draagkracht.
Ook miste men mogelijkheden om uitkomende stemmen te gebruiken. Er is overwogen het instrument te vervangen, bijvoorbeeld door het Mense Ruiter-orgel uit de Opstandingskerk; ook elektronische orgels kwamen even in beeld.
In 2006 werd Wietse Meinardi als adviseur ingeschakeld. Hij vond dat het instrument behouden moest worden omdat het kwaliteit in zich herbergde, waarbij hij met name wees op de fluitregisters. De adviseur stelde voor het neo-barokke karakter in grote lijnen te respecteren en daarbinnen enkele wijzigingen in de dispositie door te voeren.
Ook adviseerde hij de intonatie te corrigeren en de zijns inziens al te explosieve aanspraak van de prestantregisters te reduceren en meer draagkracht in het pedaal te krijgen. Dit advies werd opgevolgd. De werkzaamheden zijn in de maanden september tot en met december 2011 uitgevoerd door J.L. van den Heuvel Orgelbouw uit Dordrecht.
Voor de Scherp van het Rugwerk is een nieuwe Nasard 2 2/3’ in de plaats gekomen. De Tertiaan II is vervangen door een Sesquialter I-II, met gebruikmaking van oude pijpen van Tertiaan en Scherp. De belangrijkste wijziging aan de Mixtuur betrof een verlaging van de samenstelling in de discant.
Op voorstel van de orgelbouwer werden de kelen, koppen en tongen van de horizontale Trompet 8’ vervangen.
Het hele orgel heeft intonatiecorrecties ondergaan om de voorspraak, die als agressief ervaren werd, minder waarneembaar te maken.
De winddruk van het Pedaal werd verhoogd van 68 Wk naar 87 mm Wk, waarmee beoogd werd de draagkracht van het pedaal te verbeteren.
Waar nodig werd de mechaniek opnieuw afgeregeld. Ook werd de tremulant weer werkzaam gemaakt.
Op vrijdag 27 januari is het orgel opnieuw in gebruik genomen met onder meer een bespeling door adviseur Wietse Meinardi.

Dispositie (2011)

Hoofdwerk (II) (C-g3)  Rugwerk (I) (C-g3)  Pedaal (C-f1)
Prestant 8’  Holpijp 8’  Bourdon 16’
Roerfluit 8’  Prestant 4’  Prestant 8’
Octaaf 4’  Koppelfluit 4’  Quintaaf II sterk (4’ + 2’)
Gedekte Fluit 4’  Nasard 2 2/3’ - 2011  Fagot 16’
Vlakfluit 2’  Octaaf 2’  
Mixtuur V sterk (1 1/3’) - 1963/2011  Sesquialter I-II sterk (1 1/3’) - 2011  
Trompet 8’ (horizontaal) - 1963/2011  Dulciaan 8’  

 



Koppelingen: Hoofdwerk - Rugwerk; Pedaal - Hoofdwerk (trede); Pedaal - Rugwerk (trede)
toonhoogte: 440 Hz bij 180 Cbr /> winddruk: 68 mm WK (HW en RW), 87 mm WK (Ped.)
stemming: evenredig zwevend
** = combinatie van Quintadeen 4’ en Octaaf 2’

Samenstelling vulstemmen:

Mixtuur Vbr /> C: 1 1/3’ 1’ 2/3’ 1/2’ 1/3’
Gis: 2’ 1 1/3’ 1’ 2/3’ 1/2’
fis: 2 2/3’ 2’ 1 1/3’ 1’ 2/3’
c1: 4’ 2 2/3’ 2’ 1 1/3’ 1’
fis2: 4’ 2 2/3’ 2 2/3’ 2’ 1 1/3’
cc3: 8’ 4’ 2 2/3’ 2 2/3’ 2’

Sesquialter I-IIbr /> C: 1 1/3’
f: 2 2/3’ 1 3/5’

JAN SMELIK


Bronnen: