Orgelbouwnieuws

Marrum, Godeharduskerk
[Orgelbouwnieuws uit Het Orgel  2011/03]

 

Foto rechts: Stef Tuinstra
De oude kerk te Marrum is een eenvoudige dorpskerk, gewijd aan de heilige Godehardus van Hildesheim. De huidige kerk is gebouwd in de dertiende eeuw en verving een tufstenen kerk, waarvan nog een fragment zichtbaar is in de zuidmuur.
Het orgel is het eerste in deze kerk en werd mede bekostigd door freule A.J.E.Collot d’Escury. Het is gebouwd in 1831 door orgelmaker Johan Adolf Hillebrand uit Leeuwarden en bevindt zich op een galerij tegen de torenmuur. Hillebrand werd geboren in 1786 te Lotte in Tecklenburg en stierf in 1846. Hij was een leerling van de Leeuwarder orgelmaker Albertus van Gruisen, die op zijn beurt het vak geleerd had van Albertus Anthoni Hinsz uit Groningen. Het instrument had zestien stemmen, twee klavieren en aangehangen pedaal en is een goed voorbeeld van het vijfdelige fronttype met rugpositief, zoals Van Gruisen toegepast heeft te Marssum in 1804.
Hillebrand was een voortreffelijk meubelmaker, snijwerker en pijpenmaker, maar ook een slordige werker. Dit zou kunnen blijken uit het afkeuren van het orgel bij de eerste oplevering ervan in 1831. De orgelmaker Nicolaas Anthonie Lohman werd verzocht het afgekeurde orgel te herstellen. Dit bestond uit het grotendeels vernieuwen van zowel mechanieken als klavieren; ook zijn diverse registers een halve toon opgeschoven en metalen pijpen vervangen door exemplaren van grenenhout.
Op 28 april 1833 vond de inwijding plaats door de ‘predikant dezer gemeente’ J.B. de Boer. Van der Kooi, organist van de Nieuwe Kerk te Groningen, bespeelde het orgel.
Volgens de negentiende-eeuwse dispositieverzameling van G.H. Broekhuyzen luidde de Hillebrand-dispositie als volgt:

Manuaal Positief
Bourdon 16’ Fluit Amour 8’
Prestant 8’ Prestant 4’
Holpijp 8’ Fluit 4’
Octaaf 4’ Octaaf 2’
Open fluit 4’ Tertiaan
Quint 3’ Dulciaan 8’
Woudfluit 2’  
Mixtuur 3-4 st.  
Trompet 8’  


twee afsluitingen
tremulant
ventil
aangehangen pedaal
drie blaasbalgen

Tot aan 1844 was er bijna jaarlijks klein onderhoud nodig aan het instrument door G.W. Lohman (zoon van N.A. Lohman). Vanaf 1846 verzorgde orgelmaker Willem Hardorff uit Leeuwarden het onderhoud.
Na het overlijden van Willem van Gruisen (zoon van A. van Gruisen) in 1843 nam Hardorff deze orgelmakerij over. Wegens de bouw van een nieuwe kerktoren in 1859 demonteerde Hardorff het instrument. Een jaar later werd het door hem schoongemaakt, hersteld (pijpen uitgedeukt, de frontpijpen gefoelied en de orgelkassen opnieuw geschilderd) en weer opgebouwd. Ook is de registermechaniek veranderd en zijn de registerknoppen dichter bij elkaar gezet. De registernamen werden, in plaats van op naamborden onder de trekkers, nu op de registerknoppen aangebracht. Hardorff heeft het instrument in onderhoud tot 1878.
Vanaf 1878 onderhoudt Fokke Bakker, latere firmant van Bakker & Timmenga, het orgel. In dat jaar repareert hij de drie spaanbalgen. Hij zal de balgen nog een jaar onderhouden, totdat deze in 1879 zullen worden vervangen door een grenen magazijnbalg. Het is een van zijn eerste zelfstandig uitgevoerde werkzaamheden. In 1886 is het orgel opnieuw schoongemaakt en hersteld, zijn de frontpijpen opnieuw gefoelied, de conducten vernieuwd, enkele nieuwe pijpen geplaatst en labia verguld. Het front is opnieuw gefoelied in 1910. Tevens is de ondersteuning van het Rugwerk vernieuwd met ijzeren balken, de windvoorziening hersteld, en het snijwerk van het Rugwerk deels vernieuwd. In 1922 vinden er opnieuw herstelwerkzaamheden plaats na het schilderen van het kerkinterieur. Bakker&Timmenga zal in 1937 de kleppen in de hoofdbalg herstellen en ten slotte in 1942 de ventielen sluitend maken.
In 1944 werd de opdracht tot algehele restauratie niet gegund aan Bakker&Timmenga. Het advies gedurende de restauratie lag in handen van het Noord-Nederlands Instituut voor Orgelbouwkunde, waarin A.P. Oosterhof, G. Stam en W. Zonderland samenwerkten. Uit verschillende documenten is op te maken dat Oosterhof niet gecharmeerd was van de persoon Bernard Timmenga. De opdracht werd gegeven aan de fa. H. Spanjaard uit Amsterdam. Daarop eiste Bakker&Timmenga een schadevergoeding van ƒ 1.500, waarvan de helft werd toegewezen. Deze ingrijpende restauratie zou ervoor zorgen dat er een nieuw, vrij pedaal met elektropneumatische tractuur kwam achter het orgel. De afsluiters verdwenen, er kwam een nieuwe pneumatische tremulant, een nieuw modern pedaalklavier en een nieuwe bank. De claviatuur werd gerestaureerd, opnieuw gefineerd en het beleg van de ondertoetsen werd door celluloid vervangen.
Het Pedaal kreeg een aparte extra blaasbalg en werd geïntoneerd op hoge winddruk. Een herintonatie van het oude pijpwerk vond eveneens plaats op een iets verhoogde winddruk; daarbij werd het oude pijpwerk van veel kernsteken voorzien. Alle oude verflagen van de orgelkas en borstwering werden afgeloogd, waarbij het meubel ruw is bewerkt en vervolgens in de was is gezet. Het lofwerk werd bruin geschilderd met groene en bronsaccenten. Dit was tot de jongste restauratie nog aanwezig.
Op 17 augustus 1944 werd het vernieuwde orgel in gebruik genomen.


Foto: Stef Tuinstra

Het had de volgende dispositie:

Hoofdwerk Rugpositief  Pedaal
Bourdon 16’ Fluit Dolce B/D 8’  Subbas 16’
Prestant 8’ Fluit Travers D 8’  Octaaf 8’
Holpijp 8’ Gamba D 8’  
Octaaf 4’ Prestant 4’  
Open fluit 4’ Fluit 4’  
Quint 3’ Octaaf 2’  
Woudfluit 2’ Dulciaan 8’  
Mixtuur 3-4 st.  
Trompet B/D 8’  
 
Koppelingen: HW-RP B/D, Ped-HW
tremulant
ventiel
magazijnbalg met twee schepbalgen


Tien jaar na de restauratie kruisten Timmenga en Oosterhof de degens over deze restauratie, zoals te lezen is in deze inleidende woorden van een brief die Oosterhof aan Timmenga schreef in 1954: ‘Alleen reeds het ontvangen van een brief van een man, die zo beleefd is, dat hij bij het passeren niet groet, ja zelfs een verbeten gelaatsimpressie toont, geeft te denken. De inhoud van dit schrijven komt hiermee sterk overeen. Ja, mijnheer Timmenga, het is nu eenmaal zo, dat ik veel weet wat anderen niet weten.’
Vanaf 1946 heeft Bakker&Timmenga het orgel weer in onderhoud en vinden er enkele reparaties plaats. Verdere onderhoudswerkzaamheden volgden in de vijftiger jaren, waaronder herstel van de blaasbalg en vernieuwing van de registerplaatjes.
Vanaf 1966 ondernam men pogingen om het instrument opnieuw te laten restaureren. Orgelmakerij Flentrop maakte in dat jaar een offerte.
De kerkvoogdij wijst die af op het ontbreken van financiële middelen.
Uiteindelijk schaft men een tweeklaviers Hammond-orgel aan.
Ook dit elektronicum voldoet niet en er wordt opnieuw bekeken of een restauratie haalbaar is. In 1973 tracht men Simon Bak uit Edam aan te stellen als adviseur en deze voert een ‘restauratie’ uit om het orgel weer bespeelbaar en werkbaar te maken. Er werd onder andere sterk ingegrepen bij de intonatie, doordat de frontpijpen werden voorzien van nieuwe stemstukken en krullen. Tevens werden delen van de pedaalkas vervangen. Deze ingrepen waren fataal voor het orgel en hebben ertoe geleid dat het instrument niet meer bespeeld werd.
In 1982 wordt een nieuwe orgelcommissie opgericht. Jan Jongepier werd benoemd als adviseur. Uiteindelijk koos men in 1985 voor de nieuwbouw van een driestemmig kistorgel door Mense Ruiter te Zuidwolde.
Hierdoor zal het Hillebrand-orgel buiten gebruik blijven tot 2010.

Recente restauratie
In 1991 kreeg het instrument een monumentenstatus. Vier jaren later is de mogelijkheid besproken om een deelrestauratie te laten uitvoeren door Mense Ruiter. In 2001 wordt het instrument ingepakt in verband met de renovatie van de kerk. Tussen 2002 en 2005 besloot men de besproken deelrestauratie uit te stellen, nadat de mogelijkheid was ontstaan om het orgel volledig te restaureren. Nog voor de start van de restauratie in 2009, nam Jan Jongepier afscheid als adviseur in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
Stef Tuinstra nam het werk over als adviseur. Wim Diepenhorst trad op namens de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De gebroeders Leo en Gerard Boer te Wildervank namen het schilderwerk voor hun rekening. Houtsnijder Tico Top uit Kruisweg herstelde het snijwerk.
De elektra werd verzorgd door de fa. Vellema te Marrum. De algehele leiding gedurende de restauratie was in handen van orgelmakerij Mense Ruiter. Deze restaureerde de balg en was samen met de adviseur en de opdrachtgever verantwoordelijk voor de gehele besluitvorming.
Uitbestedingen werden gedaan aan de orgelmakers Flentrop uit Zaandam en Van Der Putten uit Finsterwolde. Flentrop was verantwoordelijk voor herstel van het pijpwerk en voor de intonatie, Van der Putten voor herstel van de windlade en de mechanieken.
De orgelkas werd gerepareerd en de krimpnaden hersteld. Het snijwerk is waar mogelijk gehandhaafd en hersteld en waar nodig vervangen.
Het nieuwe schilderwerk op het lofwerk is gepatineerd en geglaceerd.
De van origine met bladgoud belegde delen werden opnieuw verguld. De kas werd in de rode kleurwas gezet conform de situatie 1831/33. De pilaren van 1860 bleken gebronsde kapitelen te hebben.
De onderslagbalk werd opnieuw in rode houtimitatie geschilderd. De balkonvloer werd gerepareerd en de aangetroffen oorspronkelijke grijze vloerkleur werd opnieuw aangebracht.
De windvoorziening werd geheel gerestaureerd: de grote magazijnbalg uit 1879 werd uit elkaar genomen en opnieuw verlijmd, beleerd en daarna op de oorspronkelijke gerenoveerde balgruimte rechts achter het orgel teruggeplaatst. Er werd een nieuwe dempkist gemaakt voor de nieuwe windmotor, voorzien van een elektronisch gestuurde toerenregeling. De tussenbalg van Spanjaard voor het pneumatische pedaal werd eveneens hersteld en als voorbalg tussen windmachine en hoofdbalg geplaatst. De gehele windkanalisatie van 1831/33 werd nagezien en opnieuw beleerd. De in 1944 vervangen windkanalen van oregon pine werden vervangen door eiken exemplaren. De eiken windladen van Hillebrand werden geheel ontleed, schoongemaakt, opnieuw verlijmd en beleerd. Extra viltringen zijn aangebracht voor een bestendige sleepafregeling. Er zijn geen trekvrije platen aangebracht.
De negentiende-eeuwse register- en speelmechaniek is geheel hersteld, de draadgaten gepropt en het draadwerk is integraal vernieuwd.
De claviatuur werd gerestaureerd en voorzien van nieuw fineer. Het celluloid-toetsbeleg is vervangen door been. Een nieuw pedaalklavier en nieuwe orgelbank zijn in oude stijl bijgemaakt. De registerplaatjes op de knoppen zijn vervangen door nieuwe, in de stijl van Willem Hardorff.
Om financiële redenen is het Pedaal van 1944 voorlopig ongemoeid gelaten. Om het pedaalwerk in de toekomst te kunnen vervangen zijn reeds enkele technische voorbereidingen in de hoofdkas aangebracht.
Het front werd intensief hersteld. Na verwijdering van de aluminiumverf werden de frontpijpen van nieuw tinfolie voorzien en de labia met bladgoud belegd. Het houten pijpwerk werd opnieuw verlijmd en waar nodig verstevigd met extra perkamentstroken. Het pijpwerk werd schoongemaakt en hersteld. Ingescheurde randen en afgescheurde baarden werden gesoldeerd, hoedafdichtingen winddicht gemaakt en hersteld. Baarden die na 1833 zijn aangebracht, ook die aan de frontpijpen, zijn verwijderd.
Uitgangspunt bij het bepalen van de huidige intonatie was de klankgeving van andere orgels van Hillebrand. Uit pijpwerkonderzoek bleek dat de oorspronkelijke toonhoogte ongeveer 450 Hz voor a¹ geweest moet zijn. Dit werd het uitgangspunt tijdens deze restauratie. Als stemming is een door de adviseur ontworpen verdeling aangebracht.
Bij de ingebruikneming op vrijdag 5 november 2010 werd tekst en uitleg gegeven door de orgelmakers en de adviseur. Na een open dag op zaterdag 6 november werd het orgel op zondag 7 november kerkelijk in gebruik genomen.

Dispositie:

Manuaal (I, C-f3)
Praestant 8’ C-b1 in het front, bovenste tussenvelden niet sprekend
Bourdon 16’ C-h1 eiken, overige metaal, wijde mensuur
Holpijp 8’ C-h eiken, overige metaal, gedekt  wijde mensuur
Octaaf 4’  
Speelfluit 4’ conisch
Quint 3’  
Woudfluit 2’ cilindrisch, relatief wijde mensuur
Mixtuur 3-4 sterk samenstelling: C 1⅓ 1 ⅔ c 2 1⅓ 1 c1 4 2⅔ 2 1⅓ c2 4 2⅔ 2⅔ 2
Trompet 8’ eiken stevels, ahorn koppen  messing kelen met loodbeleg en messing stemkrukken  C-f beleerd
Rugpositief (II,C- f3)
Praestant 4’  C-b1 in front, onderste tussenvelden niet sprekend
Fluit douce B/D 8’ gedekt  C-h eiken, overige metaal
Viola di Gamba D 8’  
Fluit d’Amour 4’ C-H eiken, overige metaal, c-h gedekt, overige cilindrisch open
Octaaf 2’  
Fluit Travers D 8’ mahonie met palmhouten voorslagen en metalen stemlapjes, vrijwel identiek aan Farmsum 1829
Dulciaan 8’ eiken stevels, ahorn koppen  messing kelen met loodbeleg en messing stemkrukken  C-H beleerd
Pedaal (C-d1)
aangehangen  


Werktuiglijke registers
klavierkoppel bas en discant (deling tussen h en c1, evenals de registerdelingen), 1833.
tremulant gehele werk, 2010
magazijnbalg met voorbalg in de balgruimte achter het orgel
toonhoogte a¹ = 450 Hz bij 18o C
stemming Stef Tuinstra, vrijwel gelijkzwevend: Fis-Cis en Gis-Es rein, H-Fis en Es-Bes-F-C 1/16 komma kleiner dan rein en de overige zes kwinten
1/8 komma kleiner dan rein.
winddruk: 68 mm Wk

HENK DE VRIES




Foto's van beschadigd pijpwerk door Mense Ruiter orgelmakers

Bronnen: