Orgelbouwnieuws
|
Rijssen, parochiekerk van de H. Dionysius [Orgelbouwnieuws uit Het Orgel 2010/06] |

George Hendricus Broekhuyzen vermeldde in
zijn dispositieverzameling Orgelbeschrijvingen dat Carl Friedrich
August Naber in 1839 een orgel leverde aan de ‘r. cath. gemeente’
van Rijssen.
M.H. van ‘t Kruijs noemt in zijn Verzameling van Disposities der
verschillende Orgels 1838 als bouwjaar.
In 1845 vergrootte de weduwe Johann Heinrich Holtgräve – het bedrijf
werd na de dood van Holtgräve sr. in 1844 gerund door zijn knecht J.
Poestkoke – het instrument met een tweede klavier met vier stemmen.
In 1852 vergrootte men de kerk en in 1868 werkte Gerardus Elberink
uit Oldenzaal aan het orgel. Hij plaatste onder andere een nieuwe
magazijnbalg met twee schepbalgen ter vervanging van de (volgens
opgave van Broekhuyzen) vier (spaan)balgen van Naber.
In 1927 nam de parochie een nieuw kerkgebouw in gebruik dat de oude
waterstaatskerk uit het begin van de negentiende eeuw verving. De
nieuwe kerk was ontworpen door Jos. Cuypers en zijn zoon Pierre
Cuypers jr. Het oude instrument van Naber/Holtgräve deed nog enige
tijd dienst in het nieuwe gebouw.
Op 19 oktober 1928 vroeg pastoor R.N.J. Peters orgelmaker Bernhard
Pels uit Alkmaar een prijsopgave te doen voor de bouw van een nieuw
orgel. Het ontwerp hiervoor kwam tot stand mede onder advies van
pater Cæcilianus Huigens. Het blad met de ‘Desiderata’ behorend bij
de brief aan Pels vermeldde onder andere de eis om het
vijflichtvenster boven het zangkoor zoveel mogelijk vrij te houden.
Verder wenste men op het tweede klavier ‘een zeer zachte bourdon 8’
onder den naam van dolce 8’ en een zachte fluit 4’ ’. Opvallend is
een losse opmerking over de ‘tongwerken van Fransch fabrikaat met
decrescendo in den baskant [sic].’ In deze eisen ten aanzien van de
klank is de invloed van Huigens te ontwaren. Op 8 januari 1929
tekenden parochie en orgelmaker het contract. De totale kosten
bedroegen volgens de overeenkomst 7.825 gulden, 600 gulden voor de
kas en 200 voor de windmotor inbegrepen. Inruil van het pijpwerk van
het oude orgel leverde de parochie 200 gulden op.
Het orgelfront bestond uit een onderbouw in eiken stijl- en
regelwerk met panelen. In beider vijfledigheid correspondeerden
venster en pijpenfront met elkaar. De zinken frontpijpen waren ‘zeer
mooi gealluminiumd’. De houten sierregels van de buitenste zijvelden
werden voorzien van het drieletterige Christus-monogram IHS. In zijn
basale eenvoud sloot het frontontwerp naadloos aan bij de
expressionistische plastiek van het Amsterdamse School-interieur van
de kerk. De vrijstaande pneumatische speeltafel met
wisselwindsysteem was van massief eiken. De eiken bakstukken en
klavierlijsten waren blank gepolitoerd. De boventoetsen werden van
ebben gemaakt en de ondertoetsen met elfenit belegd; de
registerwippers en -balansjes uitgevoerd in massief celluloid. De
porseleinen naamplaatjes op de registerwippers en nummerplaatjes
boven de balansjes van de vrije combinatie hadden een witte kleur
voor het Hoofdwerk, een roze voor het Zwelwerk en een groene voor de
pedaalregisters. De speelhulpen kregen de kleuren van de werken
waarop ze betrekking hadden. Naast de gebruikelijke speelhulpen
waren er een instelbare automatische pedaalomschakeling, een
registercrescendo met basculetrede en indicator en een
transpositeur.
De windvoorziening bestond uit de magazijnbalg met scheppen uit het
voormalige orgel, opgesteld in de torenruimte links naast het
oksaal.
Een elektrische windmotor (inmiddels buiten gebruik maar nog altijd
aanwezig in de toren) maakte de schepbalgen overbodig. Verder
bevonden zich in het orgelinterieur twee enkelvouws regulateurbalgen
met ieder een eigen regelgordijn.
Pels voerde de windladen uit als pneumatisch geregeerde kegelladen
en maakte die voor de manuaalwerken van eiken en die voor het Pedaal
van grenen. De druk op de hoofdbalg bedroeg ongeveer 100 mm Wk, die
van de windladen 80 mm Wk.
Het pijpwerk van Pedaal en Manuaal I stond in open opstelling.
Het Zwelwerk, uitgevoerd in grenen met een aanzienlijke dikte, lag
links achter het front, het Hoofdwerk rechts.
De Subbas 16’ (Ped, grenen, ronde opsneden) stond opgesteld tegen de
kerkmuur onder het roosvenster, de zinken Octaafbas 8’ geheel in het
front.
In het front stonden ook C-H van de Octaaf 4’ (HW) en de Prestant 8’
(HW); c-h van de Prestant 8’ op de lade waren van zink.
Het groot octaaf van de Bourdon 8’ (HW) was van ‘prima kwastvry
vurenhout’, evenals de bas van de Bourdon 16’ (HW). Het vervolg van
dit laatste register had bolle bovenlabia. C-H van de Salicionaal
waren van zink.
De Trompet was in Franse factuur met in het groot octaaf bekers van
zink en de hogere tonen spotted metal; vanaf fis2 had dit register
een dubbele bekerlengte.
Alle achtvoeten van het Zwelwerk werden gebouwd vanaf C, alleen de
Vox Cælestis begon op c. De bas van de Vioolprestant was van zink,
evenals het groot octaaf van de Viola di Gamba.
De Holpijp en de Dolce kregen houten grote octaven; de registers
waren identiek, met dien verstande dat de Dolce drie halve tonen
enger was. De Fluit 4’ was gedekt en vanaf gis2 open, conisch.
De Woudfluit 2’ werd conisch uitgevoerd en vanaf c2 op lengte
gesneden. De Basson-Hobo had trechtervormige bekers van C-c, het
vervolg kreeg een samengestelde vorm; vanaf h2 had dit register een
dubbele bekerlengte.
Alle metalen labiaalpijpwerk had een tingehalte van 45 procent; de
Viola di Gamba en de Vox Cælestis van het Zwelwerk hadden een
tingehalte van 75 procent.
Het bestek vermeldde over de mensuren van het Zwelwerk: “Daar de
registers van het bovenklavier gelyke winddruk krygen als de overige
registers, wordt omrede het tweede manuaal in zwel staat, de mensuur
van de genoemde registers iets wyder genomen, daar deze registers
anders te zwak zullen worden.”
Het orgel was na oplevering in 1929 in onderhoud bij Pels. In de
loop van de jaren is er niets noemenswaardigs aan het instrument
gewijzigd.
Alleen de regelgordijnen van de regulateurbalgen zijn op enig moment
buiten werking gesteld.
In de jaren 1990 heeft een plaatselijk bedrijf een nieuwe windmotor
geplaatst. De onderhoudstoestand van het orgel was op dat moment
zeer verslechterd. De parochie onderzocht mogelijkheden om achter
het front van Pels een ander instrument te plaatsen.
Toen deze plannen geen doorgang vonden, attendeerden enkele
orgeldeskundigen de parochie op het gaaf bewaarde karakter van het
Pels-orgel. Men kreeg oog voor de monumentale waarde van het
instrument, niet in de laatste plaats in samenhang met de vrijwel
gaaf bewaarde kerk en haar interieur.
De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed honoreerde de pleidooien
voor het orgel met opname van het instrument in de redengevende
omschrijving van de kerk, waarmee subsidieverstrekking door het rijk
voor een restauratie tot de mogelijkheden behoorde.
In 2005 stelde Jos Laus namens de KKOR een herstelplan op.
Uiteindelijk kon de restauratie gesubsidieerd worden in de
zogenaamde achterstandsregeling, uitvloeisel van artikel 43 van het
BRIM.
De firma Pels & Van Leeuwen uit Den Bosch voerde de restauratie uit
in de eerste helft van 2010.
Het orgel is in- en uitwendig gereinigd en de houten delen tegen
houtworm behandeld. In de loop der jaren aangebrachte elektra is van
de kas verwijderd.
De gevelmuur van de kerk, die ernstig leed onder vochtdoorslag, is
in eigen beheer voorzien van een houten bekleding.
De parochie vernieuwde ook zelf het elektra in de kas. Een visuele
verbetering betrof het verwijderen van de lichtbalk die over de
volle breedte van de koorzolder voor het front langs was
aangebracht. Beschadigingen aan de aluminium afwerking van de
frontpijpen zijn in kleur bijgewerkt.
De speeltafel kende bruine en enkele witte registerwippers die in
volstrekt willekeurige volgorde waren aangebracht; de wippers zijn
nu allemaal mokkabruin gekleurd.
De bestaande windmotor is ingeruild voor een exemplaar met voldoende
capaciteit.
De oude hoofdbalg (1868) is opnieuw beleerd, de regulateurbalgen
zijn op enkele plekken van nieuw leer voorzien. De regelgordijnen
van de regulateurs zijn gereviseerd en weer in werking.
Om al te sterke schommelingen in de winddruk tegen te gaan, zijn op
de registerkasten van Hoofdwerk en Zwelwerk kleine schokbalgjes
aangebracht, de oude deksels van de registerkasten zijn opgeslagen
in het orgel. Het speeltafelinterieur is schoongemaakt en de
pneumatiek gerepareerd waar nodig. In de tractuur in het orgel zijn
de slechte pneumatiekbuizen en provisorische reparaties vervangen
door nieuwe loden buizen.
Alle toon- en registermembranen zijn vervangen. Kleine lekkages in
de windladen van de manuaalwerken zijn verholpen. De windladen zijn
ter plekke gerestaureerd, behalve de pedaallade, die er slecht aan
toe was. Het pijpwerk is schoongemaakt en gerepareerd waar nodig.
De koppen, kelen en tongen van de tongwerken zijn schoongemaakt en
gepolijst.
Ten slotte is op basis van de winddruk genoemd in het bestek van
1929 de intonatie gecorrigeerd. Van de Trompet moesten enige tongen
worden vervangen.
De restauratie is namens de KKOR begeleid door Cees van der Poel.
Op 17 september vond in besloten kring de overdracht plaats. Pastor
Scheve wijdde het instrument, waarna organist van de kerk, Berto
Oosterveen, en de adviseur de inspeling verzorgden.
Op zondag 19 september klonk het orgel voor het eerst in de zondagse
mis.
Cees van der Poel
Dispositie Pels-orgel in de Parochiekerk van de H. Dionysius te
Rijssen
| Hoofdwerk (I, C-g³) | Zwelwerk (II, C-g³) | Pedaal (C-f1) |
| Bourdon 16’ | Viool Prestant 8’ | Subbas 16' |
| Prestant 8’ | Viola di gamba 8’ | Octaafbs 8' |
| Bourdon 8’ | Vox Cælestis 8’ | |
| Salicionaal 8’ | Holpijp 8’ | |
| Octaaf 4’ | Dolce 8’ | |
| Mixtuur 2-3 st. | Fluit 4’ | |
| Trompet 8’ | Woudfluit 2’ | |
| Basson Hobo 8’ |
Werktuiglijke registers
koppelingen P+I, P+II, I+II, I+II sub, II+II sub
tremolo Zwelwerk
drukknoppen onder manuaal I: automatisch pedaal (met Oplosser);
vaste combinaties PP P MF F T (met Oplosser);
vrije combinatie (met Oplosser); register crescendo
transpositeur (registertrekker links in de speeltafel)
trede zwelkast manaal II
trede generaal crescendo
indicatie stand registercrescendo (wijzer, rechts in de speeltafel)
toonhoogte: a¹ = 435 Hz
winddruk: 100 mm Wk (hoofdbalg en speeltafel), 80 mm Wk (HW, ZW, Ped)
stemming: evenredig zwevend
samenstelling Mixtuur:
C 2 1 1/3
c 2 2/3 2 1 1/3
c¹ 4 2 2/3 2
Bron: Jos Laus, Het orgel van de St. Dionysiuskerk te Rijssen. Bern. Pels & Zonen, Kerkorgelfabrikanten te Alkmaar 1929. Historische schets en Herstelplan (Rijswijk 2005);
Archief Cees van der Poel;
Het Historische Orgel in Nederland Supplement (Amsterdam 2010) 238-239.



