| Amsterdam, De Rode Hoed [Orgelbouwnieuws uit NotaBene 2010-01 januari] |
Het gerestaureerde orgel van De Rode Hoed te Amsterdam (01)
De grootste en oudst bewaard gebleven Nederlandse schuilkerk staat aan de
Keizersgracht te Amsterdam. Het gaat om de op 8 september 1630 ingewijde
Remonstrantse kerk.
Het gebouw deed tot 1957 dienst als kerk, sinds 1990 gaan
kerk en omliggende panden door het leven onder de naam De Rode Hoed. In plaats
van kerkdiensten vinden er nu debatten, lezingen, symposia, literaire- en
muzikale programma’s voor een breed publiek plaats.
De inrichting van de kerk is bewaard, waaronder het belangrijkste interieurstuk:
het monumentale orgel. Jan Jongepier beschreef de hopeloze toestand van het
orgel in 1998. Zijn rapport maakte de organisatie bewust van de waarde van het
instrument. In 2002 werd Henk Verhoef om advies gevraagd. Twee jaar later kon
opdracht voor de restauratie gegeven worden aan Adema’s Kerkorgelbouw te
Hillegom. Het schilderwerk aan de kas werd uitbesteed aan de firma Wolters te
Deventer, voor het bouwkundige werk tekende de firma Dijst te Amsterdam.
De
demontage is begonnen in maart 2008. Het gerestaureerde orgel is opgeleverd op 1
september 2009, en weer in gebruik genomen tijdens een concert op 6 september
2009.
Naast adviseur Henk Verhoef waren Rudi van Straten en Wim Diepenhorst
namens de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed bij het werk betrokken.
Historie van het instrument (02)
Weidtman 1718-1720
Het orgel werd in de periode 1718-1720 gebouwd door de uit Ratingen afkomstige
orgelmaker Thomas Weidtman. Gezien de grote gelijkenissen met de kassen van de
Amsterdamse Oude Kerk en Ronde Lutherse Kerk was Jurriaen Westerman
waarschijnlijk verantwoordelijk voor het het ontwerp van de kas. Het orgel kreeg
een plaats boven de preekstoel.
Müller 1723-1724
Al vrij vlug na de oplevering ontstaan problemen met het orgel, en reeds in
1723-1724 wordt het ingrijpend vernieuwd door Christian Müller. Na deze
vernieuwing heeft het orgel de dispositie zoals hieronder. (03)
| Hoofdwerk (C-c3) | Rugwerk (C-c3) | Pedaal (C-c1?) |
| Prestant D 16’ | Prestant 8’, C-H gedekt, disc. dubbel | Trompet 8’ |
| Bourdon 16’ | Roerfluit 8’ | |
| Prestant 8’ | Octaaf 4’ | |
| Baarpijp 8’ | Quint B/D 3’, C-h gedekt | |
| Quintadeen 8’ | Octaaf 2’, disc. dubbel | |
| Octaaf 4’ | Mixtuur III-IV | |
| Quint 3’ | Sexquialter D IV | |
| Superoctaaf 2’ | ||
| Mixtuur V-VI-VIII | ||
| Scherp IV-V-VI | ||
| Sexquialter D | ||
| Trompet 8’ |
Tremulant Hw
Koppels: Rw-Hw (trekkoppel), Ped-Hw
Flaes 1844
In 1844 werkt Pieter Flaes –die lid was van de Remonstrantse Gemeente– aan het
orgel. Hij repareert de mechaniek en vervangt de trekkoppel Rw-Hw door een
drukkoppel. De Trompet 8’ van het Pedaal maakt plaats voor een Fagot 16’ en op
het Rugwerk wordt een Fluit 4’ toegevoegd.
Flaes herintoneert al het pijpwerk en maakt stemlappen bij de grotere pijpen,
wat erop zou kunnen wijzen dat hij het orgel in de gelijkzwevende temperatuur
bracht.
Flaes & Brünjes 1862
De firma Flaes & Brünjes bouwt in 1862 een geheel nieuw orgel in de oude kas. De
rugwerkkas wordt leeggehaald en de achterkas verdwijnt. Direct achter de
frontpijpen komt een houten schot. Het nieuwe orgel komt in zijn geheel in de
hoofdkas. Om voldoende ruimte te creëren wordt de hoofdkas ongeveer 80 cm maar
voren gebracht, en breder gemaakt door de zijtorens verder naar buiten te
brengen en de tussenvelden aan te passen. In plaats van de gedeelde tussenvelden
komt er nu een enkele rij pijpen met veel overlengte. Onder de hoofdkas komt een
nieuwe onderkas voor de klavieren en de tractuur. Het snijwerk van de voetlijst
en het blinderingssnijwerk onderaan de tussenvelden wordt aangevuld. De nieuwe
verbindingsstukken bovenaan de tussenvelden worden niet gesneden, maar krijgen
geschilderde ornamentbanden. De hele kas wordt overgeschilderd in een
eiken-imitatie met zwarte biezen. Het blinderingssnijwerk wordt weer verguld.
Tijdens
de restauratie bleek dat de hoofdwerklade oorspronkelijk elf sleepbanen had. Om
die reden wordt aangenomen dat de Trompet –zoals vrijwel altijd bij Flaes–
gedeeld was.
Dispositie 1862
| Hoofdwerk (C-f3) | Bovenmanuaal (C-f3) | Pedaal (C-d1) |
| Bourdon 16’ | Prestant 8’ | Subbas 16’ |
| Prestant 8’ | Baarpijp 8’ | Prestant 8’ |
| Roerfluit 8’ | Viola di gamba 8’ | Fagot 16’ |
| Octaaf 4’ | Quintadena 8’ | Trompet 8’ |
| Fluit 4’ | Octaaf 4’ | |
| Quint 3’ | Openfluit 4’ | |
| Octaaf 2’ | Spitsfluit 4’ | |
| Mixtuur VI | Octaaf 2’ | |
| Cornet D V | Dulciaan 8’ | |
| Trompet B/D 8’ |
Koppelingen: Hw-Bm, Ped-Hw
3 afsluiters, ventiel, calcant
Steenkuyl 1900
D.G. Steenkuyl voert in 1900 een reparatie uit. Het bovenmanuaal wordt voorzien
van een tremulant en de Mixtuur wordt ‘nauwer’ gemaakt ‘om beter te kunnen
stemmen’. Verder werkt Steenkuyl aan de tongwerken. Hij vervangt Flaes’ Dulciaan
8’ van het bovenmanuaal door een Vox humana 8’, verlengt de trompetbekers in de
bas en voorziet ze van intoneerslitsen en voorziet de bekers van de Fagot 16’
van intoneerschuiven.
Adema 1909
Slechts enkele jaren na de werkzaamheden van Steenkuyl krijgt de firma P.J.
Adema in 1909 opdracht het orgel ingrijpend te vernieuwen. Adema vernieuwt de
toetstractuur en bouwt Barker-hefbomen voor het hoofdwerk. Er komen voettreden
voor de koppelingen. Het hoofdwerk krijgt moteursladen voor de houten pijpen van
de Bourdon 16’. Het bovenmanuaal komt in een expressiekast. Aan het hoofdwerk
worden een Fluit Harmoniek 8’ en een Salicionaal 8’ toegevoegd, en Adema
vernieuwt de Mixtuur en Trompet 8’. De Baarpijp 8’, Octaaf 4’ en Spitsfluit 4’
van het bovenmanuaal moeten het veld ruimen voor een Viola 8’, een Violine 4’ en
een Fagot-Hobo 8’. De Vox Humana van Steenkuyl wordt vervangen door een nieuwe.
Flaes’ Viola di Gamba wordt omgestemd tot Vox Coelestis, en de bestaande
Quintadeen 8’, Openfluit 4’ en Octaaf 2’ worden omgewerkt tot resp. Bourdon 8’,
Fluit Harmoniek 4’ en Piccolo 2’. Ten slotte verdwijnt nog de Trompet 8’ van het
pedaal ten gunste van een Bourdon 8’.
Dispositie 1909 (04)
| Hoofdwerk (I) (C-f3) | Zwelwerk (II) C-f3 | Pedaal C-d1 |
| Bourdon 16’ | Praestant 8’ | Subbas 16’ |
| Praestant 8’ | Bourdon 8’ | Openbas 8’ |
| Roerfluit 8’ | Viola 8’ | Bourdon 8’ |
| Salicionaal 8’ | Vox Coelestis 8’ | Basson 16’ |
| Fluit Harmoniek 8’ | Violine 4’ | |
| Octaaf 4’ | Fluit Harmoniek 4’ | |
| Fluit Douce 4’ | Piccolo 2’ | |
| Kwint 3’ | Basson-Hobo 8’ | |
| Octaaf 2’ | Vox Humana 8’ | |
| Mixtuur II-VI | ||
| Cornet D V | ||
| Trompet 8’ |
Koppelingen: Hw-Zw, Ped-Hw, Ped-Zw
Tremulant Zw
Flentrop 1949
De firma Flentrop krijgt in 1949 opdracht het orgel te verbouwen. De
Barker-hefboom verdwijnt en er komt een nieuwe mechaniek. Ook de koppel Ped-Zw
keert niet terug. Volgens sommige bronnen zou een nieuwe Mixtuur geplaatst zijn,
en zouden de pijpen van het rugwerkfront zijn vernieuwd. Maar de Mixtuur werd
alleen gewijzigd, en de frontpijpen van het voormalige rugpositief zijn ook nu
nog achttiende-eeuws. Wel verdween de Violine 4’ ten gunste van een Nasard 2
2/3’, waarin een aantal ingekorte pijpen uit de Mixtuur werd opgenomen. In
dezelfde tijd moet de winddruk zijn verlaagd tot de 70 mm die het orgel bij het
begin van de laatste restauratie had.
Restauratie 2008-2009
Wat het klinkende deel betreft is wel beweerd dat in het orgel nauwelijks nog
iets van Flaes te vinden zou zijn. In feite is het bijna omgekeerd: van Flaes
bleven niet alleen klavieren, delen van de mechaniek en enkele kanaaldelen
bewaard, maar ook alle windladen en een groot deel van het pijpwerk. Duidelijk
is wel dat dit deel door Adema op essentiële punten is omgebogen, zodat de oude
delen zijn gaan passen in een Adema-concept. We weten trouwens dat hij dit
helemaal niet à contrecoeur deed. In het Plan van herstellingen noemt Adema de
toestand van het pijpwerk van Flaes, en dan vooral de labialen, zeer goed, zodat
het bijna geheel opnieuw kan worden gebruikt. Voor de strijkers en tongwerken
die hij vernieuwde of toevoegde, kwam het pijpwerk van de firma’s Jean Devos
(Brussel) en G. Masure Fils & E. Leau (Parijs); een voor Adema gebruikelijke
manier van werken, die aan de kwaliteit niet afdoet. De restauratie van 1949 is
daarmee vergeleken minder overtuigend. De veranderde registers waren vreemde
eenden in de bijt. Door de intonatie-ingrepen en de verlaagde winddruk maakte
het orgel een slappe indruk. Zo bezien was het logisch het uitgangspunt van de
restauratie te leggen bij de situatie 1909, waarvan bijna alles nog aanwezig
was.
Kas en frontpijpen
De orgelkas dateert nog altijd uit 1719, al heeft ze bij de verbouwing van 1862
zonder twijfel een zwaar verlies geleden. Het rugpositief verloor zijn functie
en de verhoudingen in de hoofdkas raakten verstoord. Ook de kleurstelling werd
anders. Uit afbeeldingen weten we dat het orgel nog in de negentiende eeuw in
een roodbruine hout- of marmer-imitatie was geschilderd, terwijl de beelden op
de kas, het snijwerk op de balustrade en het soffiet wit of lichtgrijs waren
gemarmerd, met bepaalde onderdelen verguld. Na de verbouwing van 1862 bleven het
blinderingssnijwerk en de labia weliswaar verguld, maar verder kreeg de hele kas
een egale, vrij donkere eiken-imitatie. Het beeld is daarmee wel ‘saaier’
geworden, maar ook wel ‘deftig’, en zo toch weer mooi passend bij het instrument
dat Flaes en Adema erin bouwden.
Bij deze restauratie werd de vorm van de kas vanzelfsprekend gerespecteerd, en
daarom lag het in de lijn ook de kleurstelling te handhaven. Tijdens de
restauratie van het blinderingssnijwerk bleken de oudste stukken veel slechter
te zijn dan aanvankelijk gedacht. Alleen de negentiende-eeuwse delen waren nog
goed, alle andere moesten als verloren worden beschouwd. Door de bouwkundig
aannemer is voorgesteld afgietsels in kunsthars te maken van de oude delen, en
waar nodig delen te dupliceren, om zo het beeld weer volledig te maken. In de
orgelrestauratie is dit een ongebruikelijke manier van werken. Toch is, in
overleg met de eigenaar en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, besloten
het snijwerk op die manier te restaureren. De methode heeft als voordeel dat
alle vernieuwde delen getrouwe kopieën zijn van het oorspronkelijke werk,
terwijl ze tegelijkertijd als vernieuwingen zijn te herkennen. De vanuit de kerk
zichtbare kant van de nieuwe delen is door de schilder verguld, conform het
bestaande werk. Uit oude foto’s blijkt dat er tot in de jaren zeventig van de
vorige eeuw twee musicerende putti op de rugwerkkas stonden. De beeldjes zijn
helaas verdwenen; wellicht kunnen ze in de toekomst nog eens worden
gereconstrueerd.
De verflaag van de kas verkeerde in slechte staat. Stukken waren afgebladderd en
het geheel was mat en vuil. De loszittende delen zijn verwijderd, maar verder
zijn de bestaande lagen ongemoeid gelaten. De kas is schoongemaakt, en er is zo
dun mogelijk een nieuwe laag opgezet, overeenkomstig de bestaande. De tinten van
de nieuwe eiken-imitatie zijn zodanig gekozen dat de oude rugwerkkas een
harmonieuze overgang vormt van het donkere eiken van de preekstoel naar de
hoofdkas, die relatief licht is gehouden om zichtbaar te zijn in de vrij donkere
zone boven in de kerkzaal.
De frontpijpen van de hoofdkas zijn van Flaes. In 1862 sprak ongeveer de helft
van de frontpijpen, maar Adema liet alleen de pijpen in de torens en één pijp in
het rechter tussenveld sprekend. Het front van het voormalige rugpositief
dateert nog uit de achttiende eeuw. Gezien de geschiedenis van het instrument
kunnen de pijpen niet anders dan van Christian Müller zijn; die in de torens en
de onderste tussenvelden zijn sprekend geweest, de overige niet. Alle
frontpijpen zijn van tin. Bij de restauratie zijn enkele beschadigingen
gerepareerd en de pijpen zijn licht gepoetst. De labia zijn opnieuw verguld.
Klavieren
De manualen dateren uit 1862, het pedaalklavier, de orgelbank en de lessenaarbak
met een verstelbare lessenaar zijn uit 1949. De speling in de klavieren is
verholpen, het beleg is gerepareerd en aangevuld. De omgeving van de klavieren
is ontdaan van elektrische leidingen, verwarmingselementen en lampen. Voor de
lessenaar is halogeenverlichting gemonteerd, boven het pedaal is een kleine
TL-buis aangebracht.
De registerknoppen zijn nog van Flaes. Vanwege het herstel van de dispositie van
1909 moesten nieuwe registeropschriften worden gemaakt. De nieuwe opschriften
zijn in de geest van Adema uitgevoerd als porseleinen plaatjes, op stroken
ebbenhout. De spelling is als bij Adema gebruikelijk.
Mechaniek
Afgezien van het oude wellenbord van het pedaal, was de speelmechaniek uit 1949.
De winkelhaken uit dat jaar waren van hardboard. Ze zijn vervangen door regels
met messing winkelhaken. Ook de abstractdraden zijn vernieuwd. De wellenborden
van hoofd- en zwelwerk (uit 1949) bleken bij demontage in minder goede staat te
zijn dan eerder was aangenomen. Bovendien moest de mechaniek vanwege de
gereconstrueerde kanalen worden herzien. De manualen hebben nieuwe wellenborden
gekregen, met aluminium wellen vanwege de beperkte ruimte. De registertractuur
bestaat voornamelijk uit oude delen (Flaes/Adema).
Windvoorziening
Na demontage was te zien hoe de kanalen voor hoofdwerk en pedaal oorspronkelijk
hebben gelopen. Ook bleek dat de windinlaten van de hoofdwerkladen in 1949 waren
verkleind. Onder de pedaalladen zaten nog de beugels waarin twee regulateurs
voor het hoofdwerk hadden gehangen. Een en ander is gereconstrueerd naar
aanleiding van de vondsten. De bestaande magazijnbalg is ter plaatse hersteld,
de windmotor is gereviseerd. De regulateur onder het zwelwerk is hersteld.
Windladen
Ieder werk heeft twee laden (c- en cis-kant). Ze liggen alle ongeveer op
hetzelfde niveau in de hoofdkas, van voor naar achter hoofdwerk, pedaal en
zwelwerk. De pijpen staan aflopend naar het midden opgesteld. De zes laden
dateren uit 1862. Ze zijn van eiken, met bij de pedaalladen palmhouten moeren
voor de voorslagen. Stokken en roosters zijn nog uit 1862/1909, die van de
Mixtuur en de Violine 4’ zijn hersteld. Tegen de zijkanten van de kast, naast de
laden van het hoofdwerk, liggen twee moteurs-laden uit 1909 met daarop de bas
van de Bourdon 16’. Bij deze laden zijn membranen vernieuwd.
De scheuren in de bovensponsels zijn uitgefreesd tot halve houtdikte en
opgevuld. De ondersponsels zijn uitgenomen, waarna sponninkjes in de scheien
zijn gefreesd. Daarna zijn de sponsels wat opgeschoven ten opzichte van hun
oorspronkelijke positie, zodat ze passen in de sponninkjes. De grootste zijn
nieuw gemaakt. De laden zijn beleerd, en er zijn vilten ringen geplakt.
De ventielen bleken in 1949 versmald te zijn en de ventielopeningen waren
kleiner gemaakt door aan de onderrand een randje hout te lijmen. Dit is
gehandhaafd. Behalve versmald waren de ventielen aan de achterkant sterk
afgeschuind en met leerstaarten aan de lade bevestigd. Bij de demontage waren
sporen van aanhechtingsstiften te zien. De ventielen hebben nu weer stiften in
plaats van staarten. De pulpeten zijn in 1949 vervangen door kunststof
schijfjes, die in de bodem van de ventielkast zijn gelijmd. Omdat dit in
principe goed werkt, is besloten het niet te veranderen.
Pijpwerk
De pijpen verkeerden voor de restauratie in matige staat. In een groot aantal
gevallen was er schade aan randen en pijpvoeten. Een probleem was bijvoorbeeld
dat veel pijpvoeten in 1949 waren vergroot door ze uit te snijden. Bij deze
restauratie zijn ze waar nodig weer toegeklopt. Van de houten pijpen was een
aantal kernen (van eiken) gescheurd. Ook waren overal zijbaarden afgebroken. Bij
beschadigde kernen is de voorkant vervangen (in mahonie). De afgebroken baarden
zijn vernieuwd, waarbij ter versteviging een extra langshout is opgelijmd.
Het pijpwerk is technisch hersteld, en de in 1949 veranderde of verdwenen
registers zijn gereconstrueerd. De Mixtuur kon worden hersteld aan de hand van
de bewaard gebleven pijpen en de sporen aan stokken en roosters. De in de Nasard
2 2/3’ terecht gekomen mixtuurpijpen zijn verlengd, de overige verloren pijpen
zijn gereconstrueerd. De Violine 4’ is gereconstrueerd naar het voorbeeld in de
kerk van de Nederlandse Protestantenbond in Weesp. De Piccolo 2’ is de oude
Octaaf 2’ van Flaes, die Adema in de discant overblazend had gemaakt. In 1949
waren deze pijpen op lengte afgesneden, en nu zijn ze weer verlengd. Nadat het
pijpwerk is herplaatst, is zo terughoudend mogelijk geïntoneerd, om het oude
klankbeeld te herstellen.
Huidige dispositie: (De registers, in de volgorde vanaf het front)
| Hoofdwerk (C-f3) | |
| Praestant 8’ | 1862, front tin, binnenpijpen metaal. C en Cis achter de middentoren van het front, D-ais in het front, in de torens, h in het rechter tussenveld (vanuit de kerk), c1-f3 op de lade (binnenpijpen oorspronkelijk uit de Mixtuur van Flaes, die Adema liet vervallen) |
| Salicionaal 8’ | 1909, metaal |
| Bourdon 16’ | 1862, C-h eiken, c1-f3 metaal |
| Roerfluit 8’ | 1862, metaal |
| Fluit Harm. 8’ | 1909, C-H in de Roerfluit 8’, c-f3 metaal; vanaf g1 overblazend |
| Kwint 3’ | 1862 |
| Fluit Douce 4’ | 1862, metaal, alle pijpen gedekt |
| Octaaf 2’ | 1862 |
| Octaaf 4’ | 1862 |
| Cornet D. V | 1862, samenstelling: 8’ (gedekt) - 4’ (open) - 2 2/3’ - 2’ - 1 3/5’ |
| Mixtuur II-VI | 1909/2009; Salicionaal-mensuur, |
| Trompet 8’ | 1909, stevels metaal, verzonken loden koppen, messing kelen, niet beleerd; vanaf f2 met dubbele bekerlengte |
| Zwelwerk (C-f3) | |
| Vox Humana 8’ | 1909, stevels metaal, verzonken loden koppen, Franse Voix humaine |
| Piccolo 2’ | 1862/1909; vanaf c1 overblazend |
| Basson-Hobo 8’ | 1909, stevels metaal, koppen lood; C-h Basson, met enge trechtervormige bekers, vanaf c1 Hobo, met Franse hobo-bekers |
| Violine 4’ | 2009 |
| Fluit Harm. 4’ | 1862/1909, metaal, vanaf f1 overblazend |
| Bourdon 8’ | 1862/1909, metaal, gedekt; vanaf c2 met roeren |
| Vox Coelestis 8’ | 1862, metaal, vanaf f |
| Viola 8’ | 1909, metaal |
| Praestant 8’ | 1862, C-F metalen quintadeen, Fis-f3 metaal, open |
| Pedaal (C-d1) | |
| Basson 16’ | 1862 (1844?), mahonie stevels en koppen, messing kelen |
| Bourdon 8’ | 1909/1862, C-H in c-h van de Bourdon 16’ Hw, c-d1 metaal, met roeren |
| Openbas 8’ | 1862, metaal |
| Subbas 16’ | 1862, eiken |
Werktuigelijke registers
Tremolo (II)
Koppelingen: Hw-Zw, Ped-Hw (zowel knoppen als treden appèl et renvoi)
Temperatuur: gelijkzwevend
Toonhoogte: a1 = 438 Hz bij 18° C
Winddruk: 90 mm (Hw), 95 mm (Zw), 105 mm (Ped) WK
Samenstelling Hoofdwerkmixtuur:
C 2 2/3 2
c 4 2 2/3 2
c1 5 1/3 4 2 2/3 2
c2 8 5 1/3 4 2 2/3 2
c3 10 2/3 8 5 1/3 4 2 2/3 2
Noten: