Wilten (Oostenrijk), Stift Wilten
[Orgelbouwnieuws uit NotaBene  2009-09 september]

Foto: Verschueren orgelbouwDe huidige Stiftskirche van Wilten (in de nabijheid van Innsbruck) kwam hoofdzakelijk tot stand in het derde kwart van de zeventiende eeuw.
In het kader van een restauratie van de monumentale kerk in de jaren 2005 tot 2008 gaf men aan Verschueren Orgelbouw uit Heythuysen de opdracht een nieuw orgel te maken dat ter plaatse wordt aangeduid als het Festorgel. Het instrument werd op 17 oktober 2008 in gebruik genomen.
Het is één van de vier instrumenten die Wilten herbergt. In 2008 voltooide orgelmaker Reil uit Heerde een koororgel dat op dezelfde dag als het Verschueren-orgel in gebruik werd genomen (zie NotaBene Jg. 2 nr. l, januari 2009).
Daarnaast beschikt men over een orgel van Daniel Herz uit 1675 (restauratie door Jürgen Ahrend in 2002/2003) en een instrument van Franz Reinisch II uit 1894.
Voor de vormgeving van de orgelkassen zocht men aansluiting bij het barokke kerkinterieur. Het meubel vormt zowel in de vorm als de kleurstelling met zwart en goud, een tegenhanger van het hoofdaltaar. Het orgel telt drieënvijftig registers, verdeeld over drie klavieren en een vrij pedaal.
Voor de klank koos Verschueren als inspiratiebron de orgelbouwtraditie van de achttiende eeuw. Daarbij waren de ervaringen met instrumenten uit diverse gebieden en stijlen richtinggevend. Doel was een karakteristiek, veelkleurig en tegelijk samenhangend klankbeeld dat ruime mogelijkheden biedt voor de uitvoering van een zeer divers repertoire. Het Festorgel heeft dezelfde diapason en stemming als het koororgel van Reil, zodat de instrumenten gelijktijdig gebruikt kunnen worden. De adviseurs Kurt Estermann (Stift-organist) en Rupert Gottfried Frieberger (Stift Schlagl) begeleidden de bouw.
De orgelkassen zijn vervaardigd van grenenhout. De hoofdkas biedt ruimte aan de C- en Cis-laden van het Hoofdwerk, de twee laden van het Klein Pedaal en de beide laden van het Bovenwerk. Achter de hoofdkas staat het Groot Pedaal in C- en Cis-opstelling. Een wand scheidt deze laden van de balgenkamer. De balgstoel bevat vier éénvouwige spaanbalgen die desgewenst getreden kunnen worden. Het Groot Pedaal wordt voorzien van wind uit een kleine magazijnbalg. Vanwege de situering op het tweede balkon en de grote afstand tot de luisteraars in de kerk, werd de diepte van de orgelkassen zo gering mogelijk gehouden. De windladen en het pijpwerk van het Groot Pedaal staan daarom achter het meubel opgesteld.
De klavieren zijn uitgevoerd als staartklavieren. De koppelingen worden met behulpvan registerknoppen bediend. De registermechaniek is, evenals de toetstractuur, mechanisch. De registers hebben ebben knoppen, de registernamen zijn met inkt op perkament gekalligrafeerd.
De platen orgelmetaal zijn nagenoeg op dikte gegoten en uitsluitend handmatig nabehandeld. De corpora van de pijpen zijn naar boven toe uitgedund. Verder zijn de pijpen op lengte afgesneden en zijn de frontpijpen voorzien van zogenaamde 'eieren'.
Bij de intonatie van het orgel besteedde men bijzondere aandacht aan de aanspraakkarakteristieken van het pijpwerk, de Misschungsfahigkeit van de registers en de transparantie van het plenum. Bij de Prestanten werd een vocaal klankkarakter beoogd, terwijl bij de fluiten en kleurregisters levendigheid is nagestreefd. De intonatie is in principe zonder kernsteken gerealiseerd.
Van de Prestant 8' (RW) staan Fis-gis1 in het front, de grootste zes in de kas en vanaf a1 op de lade. C-d van de Octaaf 4' staan eveneens in het front.
De Roerfluit 4' is vanaf gis2 open, conisch.
De Nasard 3' is roergedekt en vanaf a1 open, conisch.
De Fluit 2' is conisch uitgevoerd, de roergedekte Terts !3/5' vanaf f open en cilindrisch.
De Dulciaan 16' heeft in het groot octaaf bekers van een kwart lengte en vanaf c halve bekers.
De Prestant 16' (HW) heeft van C-Fis houten gedekte pijpen, G, A-c staan in het front, Gis, cis, dis binnen.
Het front bevat ook de bas van de Prestant 8' en E-H van de Octaaf 4'. De Roerfluit 8' is vanaf c roergedekt.
De Cornet V begint op a. De metalen Fluit 4' is gedekt.
De Mixtuur V kan in twee standen worden uitgetrokken; in de laatste stand spreekt het repeterende tertskoor mee.
De Trompet 4' heeft een octaafrepetitie op c3.
Op het Bovenwerk is de Bourdon 16' gebouwd vanaf Fis, de Quintadeen 8' heeft kastbaarden, de Unda Maris 8' loopt vanaf c1 en zweeft "onder".
De Nasard, Fluit 2' en Terts zijn open en cilindrisch.
Het Klein Pedaal heeft c-h van de Octaaf 8' en E-cis van de Octaaf 4' in het front.
De Subbas is van hout. Het Groot Pedaal heeft een open houten Prestant 16'. De Bazuin 16' heeft naaldhouten bekers, eiken stevels en koppen van ahorn.

Dispositie
Hoofdwerk (II, C g3) Rugwerk (l, C-g3) Bovenwerk (III, C-g3) Pedaal (C-f1)
Prestant 16' Prestant 8' Bourdon 16' * Prestant 16'
Prestant 8' Holpijp 8' Prestant 8' *Quint 12'
Roerfluit 8' Octaaf 4' Holpijp 8' Octaaf 8'
Viola di Gamba 8' Roerfluit 4' Quintadeen 8' Subbas 16'
Octaaf 4' Nasard 3' Unda maris 8' Bourdon 8'
Cornet V Fluit 2' Fluit tra vers 4' *Quint6'
Fluit 4' Superoctaaf 2' Octaaf 4' Octaaf 4'
Quint 3' Terts 13/5' Nasard 3' Mixtuur V
Superoctaaf 2' Sesquialter II Fluit 2' *Bazuin 16'
Mixtuur V Mixtuur IV Terts 13/5' Fagot 16'
Cymbel III Dulciaan 16' Flageolet l' Trompet 8'
Fagot 16' Trompet 8' Mixtuur III Trompet 4'
Trompet 8' Cromhoorn 8' Hautbois 8'  
Trompet 4'   Vox humana 8'  
* = registers van het Groot Pedaal

Werktuiglijke registers
Koppelingen Pedaal-Rugwerk, Pedaal-Hoofdwerk, Pedaal-Bovenwerk,Rugwerk-Hoofdwerk, Hoofdwerk-Bovenwerk;
Tremulant Bovenwerk, Tremulant Rugwerk, Nachtegaal
toonhoogte: a1=440 Hz
winddruk: 70 mm Wk (HW, RW, BW, Klein Pedaal); 95 mm Wk (Groot Pedaal)
stemming: Neidhard (1724, "kleine Stadt")

Bron: Verschueren Orgelbouw, Heythuysen; www.stift-wilten.at