‘s-Gravenhage, Lutherse Kerk
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2008-02 Februari]

Foto's: Jan Smelik
In 1620 stichtten lutheranen in Den Haag een kerkgebouw aan de Sustersloot, de tegenwoordige Burgwal.
In 1647 werd deze kerk verbouwd en een jaar later voorzien van een orgel. Pijpwerk uit dit instrument is nog aanwezig in het huidige orgel en werd recent toegeschreven aan Hans Wolff Schonat, waarmee de bouwer van het zeventiende-eeuwse instrument na lange tijd bekend is.
Apollonius Bosch werkte in 1668 aan het orgel en Rudolph Garrels in 1724. De laatste verplaatste het instrument van de noordzijde naar de zuidkant van de kerk. De orgelkassen werden bij deze werkzaamheden verfraaid naar ontwerp van Daniël Marot. Uit het bewaard gebleven contract met Garrels blijkt dat het instrument een hoofdwerk had met negen registers en een rugwerk met zes stemmen. De klavieren telden 45 toetsen en het pedaal was aangehangen.
In 1751 contracteerde de kerkenraad de Utrechtse orgelmaker Johann Heinrich Hartman Bätz (1709–1770) voor de bouw van een nieuw instrument in de bestaande kassen. Bätz gebruikte vijf registers van het oude orgel opnieuw in het Rugwerk. De windvoorziening, de windladen, regeerwerk en klavieren maakte hij nieuw. Het orgel had bij oplevering in september 1753 veertien registers op het Hoofdwerk en negen op het Rugwerk. Lang heeft het orgel niet gefunctioneerd: in 1758 besloot de Lutherse gemeente tot de bouw van een nieuwe kerk en een jaar later demonteerde Bätz het instrument en sloeg het op.
Terwijl de bouw van de nieuwe kerk in volle gang was, voerde de kerkenraad besprekingen met Bätz over herplaatsing en uitbreiding van het opgeslagen orgel. Het contract en bestek hiervoor zijn niet meer voorhanden.
De inhoud ervan laat zich aflezen uit het orgel zoals dat in 1762 tot stand kwam. Bätz maakte nieuwe eiken kassen. Andries Everhardt Francke (1717-?) vervaardigde de ornamenten. De windladen en het pijpwerk van Hoofdwerk en Rugwerk waren die van 1753, het Pedaal en Bovenwerk werden nieuw gemaakt. De oude Trompet 16’ van het Hoofdwerk werd vervangen door een Dulciaan 8’. Naar alle waarschijnlijkheid kwam het pijpwerk van die oude Trompet als Bazuin op het Pedaal te staan. Het vergrote orgel werd op 23 september 1762 gekeurd.
In de eerste decennia na de bouw nam het huis Bätz het onderhoud voor zijn rekening.
In 1794 repareerde Andries Wolferts de Prestant 16’ van het Hoofdwerk en de tongwerken.
Van 1801 tot 1819 onderhield J.C. Friedrichs het orgel, waarna de familie Bätz vanaf 1820 weer zorg droeg voor het instrument.
In 1824 voegden de Gebr. Bätz twee spaanbalgen toe aan de bestaande zes en vernieuwden zij de klavieren van het Hoofdwerk en het Pedaal. Ook werd een nieuwe koppeling aangebracht en de opliggende tremulant van het Bovenwerk vervangen door een inliggende. Het metalen pijpwerk van de Bourdon 16’ van het Pedaal werd ingewisseld voor houten pijpen en men stemde het orgel in de evenredig zwevende temperatuur. Met het oog hierop werden de frontpijpen voorzien van nieuwe stemlappen.
De firma J. Bätz & Co. veranderde in 1837 opnieuw het pijpwerkbestand. Op het Bovenwerk maakten de Gemshoorn 4’, Nachthoorn 2’ en de Flageolet 1 1/2’ plaats voor een Salicionaal 4’, een Roorfluit 4’ en een Roorfluit 2’. Op het Hoofdwerk verdween de Scherp en werden enkele pijpen daarvan bijgeplaatst bij de Mixtuur. Op de vrijgekomen plaats kwam een Fagot 16’. De Dulciaan 8’ werd verruild voor een Trompet 4’. De Dulciaan kreeg een plaats op het Rugwerk waar de Hautbois het veld moest ruimen. Op het Pedaal verscheen een Roorquint 6’ in plaats van de Mixtuur en de Trompet 2’ week voor een Trombone 4’.
In 1860 verving Christian Gottlieb Friedrich Witte de frontpijpen, die te dun van wand werden geacht. Daarbij verdwenen de dubbelkoren van de discanten van de Prestant 8’ van Hoofd- en Rugwerk; de in principe hiervoor bestemde nieuwe pijpen werden niet aangesloten. De binnenpijpen van de dubbelkoren verdwenen. Witte maakte het orgel ook schoon.
In 1893/94 herstelde zijn zoon Johann Frederik Witte het instrument.
Rond 1920 nam de kerkenraad de orgeldeskundige J.W. Enschedé in de arm om een restauratie voor te bereiden. Enschedé stond op het standpunt dat er niet moest worden ingegrepen in het historische geheel en stelde voor om de gewenste uitbreiding in de heersende smaak uit te voeren als een vierde werk. Daartoe werd in 1921 boven de balgenkamer achter het orgel een ruimte gerealiseerd waarin twee pneumatische kegelladen een plaats vonden met daarop de registers die aan het orgel werden toegevoegd. Met behulp van een jalouziewand was het geheel zwelbaar. Het vierde werk telde 61 tonen en werd bespeeld vanaf het manuaal van het Bovenwerk. Door middel van een transpositeur was het volledige bereik te verzilveren. Dat was immers groter van omvang dan het bovenwerkmanuaal. Het nieuwe Zwelwerk telde ook een aantal registers dat op het Pedaal bespeelbaar was. De registerknopjes bracht men aan boven de bestaande registertrekkers. Op het Rugwerk werd een nieuwe Sexquialter geplaatst en wellicht dateren ook de zinken pijpen op C, Cis en D van de Prestant 16’ uit deze tijd. Een van de acht spaanbalgen verdween in 1921. Orgelbouwer A. Bik voerde het werk uit.
In 1948 verving dezelfde orgelmaker de Salicionaal 4’ van het Bovenwerk uit 1837 door een Nasard 2 2/3’. Op een apart pneumatisch laadje, gevoed vanuit de cancellen van de oude Bovenwerklade, plaatste Bik een Octaaf 4’ en een Scherp 3 st.. Misschien zijn de voormalige pneumatische tremulanten ook van deze tijd.
In de jaren 1960 werd het kerkgebouw gerestaureerd en het orgel ingepakt.
Na deze periode voerde de firma J. De Koff & Zoon in 1971 enkele noodzakelijke herstellingen uit aan de windvoorziening en de mechaniek.
In 1976 presenteerde Jan Jongepier een restauratieplan waarin hij pleitte voor handhaving van het Zwelwerk uit 1921 en het ongedaan maken van de verandering en toevoegingen aan het Bovenwerk van 1948. Vanwege felle discussies besloot men af te zien van dispositiewijzingen en zich te beperken tot het verhelpen van door- en bijspraak in de laden. De firma Flentrop Orgelbouw uit Zaandam voorzag de lade- en stokboringen van ringen.
Pas in de jaren 1987/88 werden de pedaalladen werkelijk gerestaureerd en daarbij voorzien van een dunne hechthouten dekplaat. De tongwerkschotjes werden weer aangebracht en de ventielen en voorslagen werden opnieuw beleerd. De houten pijpen van de Bourdon 16’ van het Pedaal werden in deze eerste fase ook hersteld.
De volgende deelrestauratie werd ter hand genomen in de winter van 1994/95. Het betrof herstel van de rugwerklade en reconstructie van de oorspronkelijke Sexquialter. Grondig onderzoek aan het pijpwerk wees uit dat een deel van het bestand afkomstig was uit het orgel van 1648, dat op basis van hetzelfde onderzoek aan Schonat werd toegeschreven.
Combinatie van dit gegeven met andere historische puzzelstukjes leidde tot de overtuiging de reconstructie van de Sexquialter niet in Bätz- maar in Schonat-factuur uit te voeren. In april 1995 werd het gerestaureerde Rugwerk in gebruik genomen.
Het contract voor een derde en laatste deelrestauratie werd eind maart 2006 getekend door Flentrop.
De orgelkassen zijn hersteld, gereinigd en in de was gezet. De zeven spaanbalgen zijn nieuw beleerd en er werd een nieuwe windmotor geplaatst.
De overige delen van de windvoorziening zijn nagezien en waar nodig hersteld. Belangrijke verandering was de afkoppeling van het Zwelwerk dat een eigen windvoorziening kreeg bestaande uit een windmotor, een kleine magazijnbalg en kanalisatie aangebracht op de plaats waar zich ooit de achtste spaanbalg bevond. Het Hoofdwerk kreeg een nieuwe, opliggende tremulant.
De klavieren zijn spelingvrij gemaakt. Het beleg van de ondertoetsen, dat nog in goede staat was, is aangebracht op het derde manuaal; de andere twee hebben nieuw beleg gekregen. Het pedaalklavier is vernieuwd in Bätz-stijl met twee extra toetsen voor cis1 en d1. De pedaalkoppel werd met het oog hierop uitgebreid met twee walsen, zonder de bestaande constructie aan te tasten. Enkele registerknoppen van later toegevoegde stemmen zijn verdwenen en kleine knopjes voor het Zwelwerk bijgemaakt.
De registermechaniek is nagezien en hersteld waar nodig; de pneumatische registertractuur van het Zwelwerk is verwijderd. In de toetsmechaniek is alle draadwerk vernieuwd en de lederen moeren vervangen, de bevestiging van walsen hersteld, de abstractuur nagezien en de benaaiing waar nodig vernieuwd. De speling in winkelbalken is weggenomen.
Bij de restauratie van de twee windladen van het Hoofdwerk en die van het Bovenwerk werden deze zowel aan de bovenzijde van het cancellenraam als aan de onderzijde voorbij de ventielkasten doorgaand beleerd.
Het ringensysteem bleef gehandhaafd en ventielkasten en ventielen werden voorzien van nieuw leer. De gaten in de lade van het Bovenwerk ten behoeve van de pneumatiek van het in 1948 toegevoegde laadje, zijn gedicht.
Dit is ook gedaan bij de pedaalladen, waarop na de restauratie van 1988 weer de pneumatiek voor de pedaalregisters die op het Zwelwerk stonden, werd aangesloten.
Zowel de register- als de toetstractuur van het Zwelwerk is geëlektrificeerd.
De contacten voor de toetstractuur zijn aangesloten aan de onderzijde van de bovenwerk- en de pedaallade.
De dispositie van het orgel veranderde enigszins. Met het suppletielaadje verdween de Scherp van het Bovenwerk, de Octaaf 4’ werd bijgeplaatst op het Zwelwerk. Het Zwelwerk werd verder nog uitgebreid met een aangekochte Basson-Hobo van rond 1920. De Nasard 2 2/3’ op het Bovenwerk bleef gehandhaafd, zij het nieuw gemaakt in Bätz-factuur (1837).
Alle overige pijpwerk behield zijn plaats, kleine gebreken zijn verholpen.
De finale klankgeving is geschied op een winddruk van 78 mm. Bij deze wind bleken de frontpijpen van 1860 nog goed te gedijen. Waarschijnlijk dateerde de aangetroffen druk van 87 mm. van 1921 en is die toen zo hoog gemaakt om de pneumatiek goed te laten functioneren.
De officiële ingebruikneming vond plaats op zaterdag 6 oktober 2007 met een concert door de organist van de kerk en co-adviseur bij de restauratie, Aart Bergwerff. Namens de RACM begeleidde Rudi van Straten het project.



Dispositie: (registers vermeld in ladevolgorde vanaf het front)

Hoofdwerk (II, C-c3)
Prestant 8’ 1860/1753 Dis-gis¹ frontpijpen, 1860, twee spitse torens, in ieder onderveld van vier pijpen één pijp, in de onderste tussenvelden zes van de negen aanwezige pijpen C-D binnen, achter de middentoren, 1753 a¹-c³ op de laden, 1753, hieronder enkele voormalige frontpijpen.
Cornet D 4 st. 1753 op twee verhoogde banken alle koren in openfluitmensuur. Samenstelling: c¹ 4 2 2/3 2 1 3/5
Bourdon 16’ 1753 C-H eiken, rest metaal.
Roorfluit 8’ 1753 geheel metaal.
Quintadeen 8’ 1753 geheel metaal, kastbaarden tot en met gis¹.
Octaaf 4’ 1753
Nagthoorn 4’ 1762 conisch, op groot C de naaminscriptie Gemshoorn 4 vt bovenwerk naar alle waarschijnlijkheid in 1837 hier geplaatst ter vervanging van de Nagthoorn van 1753.
Quint 3’ 1753
Octaaf 2’ 1753
Woudfluit 2’ 1753 cilindrisch.
Mixtuur 6 st. [sic] 1753/1837 pijpwerk integraal 1753 samenstelling (1837):
C    2 1 1/3 1 1 2/3
c     2 2/3 2 2 1 1/3 1
f     4 2 2/3 2 2/3 2 2 1 1/3
c1   4 4 2 2/3 2 2 1 1/3 1 1/3
c2   4 4 2 2/3 2 2/3 2 2 1 1/3 1 1/3
Fagot 16’ 1837 bekers metaal, cilindrisch op onderconus.
Trompet 8’ 1753
Trompet 4’ 1837 bekers tin stevels 1753, van voormalige Dulciaan 8’.
Rugpositief (I, C-c3)
Prestant 8’ 1753/1860 C-Dis eiken, gedekt, binnen, 1753 E-e² front, 1860, torens en onderste tussenvelden, f²-c³ binnen, 1753, waaronder enkele voormalige frontpijpen.
Sexquialter D 2 st. 1995 pijpwerk in Schonat-factuur
samenstelling: c¹ 2 2/3 1 3/5
Holpijp 8’ 1648 geheel metaal.
Octaaf 4’ ouder dan 1753?
Fluit 4’ 1753 als roerfluit, f²-c³ dichtgesoldeerd met roeren.
Octaaf 2’ 1648
Flageolet 1’ 1753 mogelijk door latere inkorting (moment onbekend) verkregen uit de Flageolet 1 ½ voet. Alle pijpen dezelfde makelij inscriptie op C: Flagelet ½ v.
Mixtuur 3 en 4 st. 1648/1724 drie eerste koren voornamelijk 1648, vierde koor 1724
samenstelling:
C   1 2/3 1/2
c    2 1 1/3 1
c1  4 2 2/3 2 1 1/3
Dulciaan 8’ 1762 in 1762 op Hoofdwerk, op Rugwerk geplaatst in 1837, stevels waarschijnlijk nog van de Hautbois 8’ van 1753.
Bovenwerk (III, C-c3)
Prestant 8’ 1762/1860; C-Gis gedekt, metaal, afgevoerd vóór de windlade, 1762; A-gis¹ front, 1860, twee spitstorens, in beide onderste tussenvelden drie pijpen sprekend; a¹-c³ op de lade, 1762.
Baarpijp 8’ 1762; C-c afgevoerd, rest op de lade.
Quintadeen 8’ 1763; zij- en kastbaarden.
Nasart 3’ 2007; conisch.
Roorfluit 4’ 1837
Roorfluit 2’ 1837; tot en met e¹ losse hoeden met roeren; f¹-f² dichtgesoldeerd met roeren, het vervolg open, conisch.
Schalmy 8’ 1762; bekers metaal, enge bovendiameter.
Voxhumana 8’ 1762; dubbelkegelmodel, half openstaande deksels, deksels aan de binnenzijde beleerd.
Pedaal (C-c1, klavier C-d1)
Prestant 16’ ?/1860; C, Cis, D open zinken pijpen, achter de middentoren; Dis-c¹ in het front, middentoren, grote zijvelden, enkele pijpen in aansluitende onderste verbindingsvelden.
Bourdon 16’ 1824; geheel van eiken.
Prestant 8’ 1762; geheel op de laden.
Octaaf 4’ 1762
Roorquint 6’ 1837; metaal.
Bazuin 16’ 1753; waarschijnlijk een fragment van de Trompet 16 voet hoofdwerk van 1753, op pedaal geplaatst in 1762; bekers groot octaaf van (latere) schachten voorzien.
Trompet 8’ 1762
Trombone 4’ 1837
Zwelwerk (III, C-c3)
Holpyp 8’ 1921
Dolce 8’ 1921
Viola di Gamba 8’ 1921
Vox Celeste 8’ 1921; vanaf c.
Octaaf 4’ 1948; geplaatst in 2007.
Fluit harmonique 4’ 1921
Woudfluit 2’ 1921
Basson-hobo 8’ ca. 1920, geplaatst 2007.
Zwelwerkpedaal
Subbas 16’ 1921
Bourdon 8’ 1921
Violoncel 8’ 1921

Werktuiglijke registers
Koppel O:C: B/D (drukkoppel HW-RW)
Koppel B:C: B/D (trekkoppel HW-BW)
Coppeling Pedaal (aan HW)
4 Afsluitingen
Tremulant O:C: (Rugwerk)
Tremulant M:L: (Hoofdwerk)
Tremulant B:C: (Bovenwerk)
Ventiel
Ten behoeve van het zwelwerk:
Combinatie Bov. Kl. en Ped.
Transpositeur Bov.kl.
Tremulant Bov. Kl.
winddruk: 78 mm.
toonhoogte: a¹ = 438 Hz
stemming: evenredig zwevend

Bronnen:
Brochure Jan Jongepier (verschijnt voorjaar 2008);
Het Historische Orgel in Nederland 1726-1769 (Amsterdam 1997) 306-309