Ouderkerk aan de Amstel, St.-Urbanus
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2007-06 Juni]

Foto: Ton van Eck

In de voorganger (ingewijd 1821) van de huidige St.-Urbanuskerk beschikte de rooms-katholieke parochie van Ouderkerk aan de Amstel over een orgel van Leonardus van den Brink (1761–1833) uit Amsterdam. Het instrument werd voor 3.000 gulden gebouwd en telde dertien stemmen, verdeeld over twee manualen (C-f3). Het pedaal was aangehangen en de wind werd verzorgd door drie balgen. Het nog bestaande contract uit 1819 voor de bouw van dit instrument vermeldt dat het nieuwe orgel van Van den Brink net zoveel registers zou tellen als het vorige, dat een jaar eerder met een weer oudere kerk in vlammen was opgegaan.
In 1867 betrok de parochie haar huidige (inmiddels opeenvolgend derde) kerkgebouw ontworpen door de vermaarde architect P.J.H. Cuypers (1827–1921). Het orgel van Van den Brink verhuisde mee en werd op de koorzolder geplaatst.
Het 25-jarig priesterfeest van pastoor P.A. Claasen in 1875 was aanleiding voor een inzameling onder de parochianen ten behoeve de bouw van een nieuw orgel, dat het instrument van Van den Brink zou vervangen. De collecte bracht 6.000 gulden op, samen met de 2.560 gulden, die daar later nog werd bijgelegd, was dat voldoende voor de bouw van een nieuw orgel.
Men oriënteerde zich bij verschillende orgelmakers. In het parochiearchief zijn twee bestekken bewaard, een van Lodewijk Ypma uit Alkmaar (dat van het orgel dat hij in 1875 bouwde in de r.-k. parochiekerk van de H. Adrianus in Langelaar) en een van Rudolph Randebrock uit het Duitse Kleve. Het is niet te reconstrueren hoe het parochiebestuur ertoe kwam om uiteindelijk met Jacobus Vollebregt (1825–1888) uit ‘s-Hertogenbosch in zee te gaan.
Over het concept van Vollebregt is indirect een en ander bekend door het commentaar dat ene Cupers, wellicht in de rol van adviseur, daarop leverde in een brief van begin oktober 1876. Waarschijnlijk was dit Johan Kupers (juiste spelling, 1833-1902), organist van de St.-Willibrordus binnen de Veste (De Duif) in Amsterdam. In zijn reactie op Cupers stelde Vollebregt onder andere voor om het pedaal van het orgel uit te rusten met eigen registers, kennelijk in tegenstelling tot de eerdere plannen.
Pastoor Claasen vermeldde in de kantlijn van het Liber memorialis van de parochie dat het front ontworpen was door Cuypers, de architect van de kerk. Dat maakt het Ouderkerkse instrument bijzonder: er zijn maar heel weinig orgelfronten die door Cuypers getekend zijn en daadwerkelijk gerealiseerd zijn. Andere voorbeelden zijn de fronten van de orgels in Amsterdam (Vondelkerk, 1875, verloren gegaan), Haarlem (O.L.V. van de H. Rozenkrans en de H. Dominicus, 1891, nu in de Haagse St.-Jacobuskerk) en Oisterwijk (St.-Petrus’ Banden, 1900).
De vormentaal van Cuypers’ frontontwerpen is sober, dit in tegenstelling tot de orgelmeubels van bijvoorbeeld zijn tijdgenoot Wilhelm Mengelberg.
De orgelfronten waren in de visie van Cuypers ondergeschikt aan de kerkarchitectuur. In Ouderkerk komen zijn principes tot uitdrukking in het visueel grotendeels vrijlaten van het rozetvenster in de gevel van de kerk, en in het vlakke, tot en met de labiumlijnen toe streng symmetrische front en de terughoudende toepassing van versieringen.
Vollebregt maakte de voorzijde van de kas van eiken, de zijwanden voerde hij uit in grenen. Alleen de onderkas kent een achterwand; de zijwanden van de bovenkas lopen naar achteren door tot de kerkmuur. De buitenste zeven frontpijpen aan beide zijden zijn van de Octaafbas van het Pedaal, het middenveld is loos, de overige velden zijn – op enkele loze exemplaren na – gevuld met pijpwerk van de Prestant 8 van het Hoofdwerk.
De oorspronkelijke drie spaanbalgen stonden in de toren opgesteld. Alle onderdelen van de windladen zijn van eiken. De registers staan getweeën op een pijpstok, behalve de Misctuur [sic] en de Trompet van het Hoofdwerk, die ieder een eigen stok hebben.
Alle laden zijn gedeeld in C- en Cis-kant. De rangschikking van de cancellen van het Hoofdwerk en Pedaal is van laag aan de buitenzijden, naar hoog in het midden, terwijl het pijpwerk van het Onderpositief pyramidaal staat opgesteld. Het Hoofdwerk heeft een grenen wellenbord met dito wellen en abstracten; het Onderpositief wordt bediend met een eiken stekermechaniek.
De koppelwellen van de pedaalkoppel zijn van ijzer.
De handklavieren zijn uitgevoerd als staartklavier in eiken, de ondertoetsen belegd met ivoor, de boventoetsen zijn van ebben. Verder is er palissander- en palmhout toegepast in de claviatuur. Het pedaalklavier is van eiken, de toetsen belegd met messing. De ebben registerknoppen met ivoren knopje zijn in twee rijen ter weerszijden van de lessenaar gegroepeerd.
De houten naamplaatjes zijn zwart gekalligrafeerd tegen een gebroken witte ondergrond. De eiken klavierdeksel dient in opgeklapte toestand als lessenaar.
Veel elementen in het orgel zijn door Jacobus Vollebregt gemaakt in de stijl van zijn vader. Nieuwerwetser was Vollebregt junior in het disponeren van een strijker op beide manualen. Ook de Hobou [sic] van het tweede werk is verhoudingsgewijs modern. Bijzonder is het ontbreken van een tweevoet op het Hoofdwerk, terwijl er wel een register van die voethoogte te vinden is op het Pedaal.
Het pijpwerk dat Jacobus leverde was nog geheel in stijl van Johannes.
Mogelijk betrok hij de tongwerken in België, zoals dat dikwijls gebeurde in deze tijd. Hij maakte voor de labialen gebruik van drie alliages: het pijpwerk van de strijkers bevatten het hoogste, de prestanten een iets lager tinpercentage; de fluiten en gedekten bevatten het meeste lood.
De open metalen pijpen hebben vrijwel zonder uitzondering spitsgeritste bovenlabia en rondgeritste onderlabia; bij de gedekten zijn beide labia rondgeritst. Het houten pijpwerk is van wagenschot eiken, alleen de Subbas van het Pedaal is van grenen.
Na het overlijden van Jacobus Vollebregt ging het onderhoud van het orgel over in handen van de Amsterdamse firma P.J. Adema & Zonen. In 1923 plaatste Joseph Adema een elektrische windmotor. Misschien is bij die gelegenheid ook de Hobou D 8 ingewisseld voor een Vox Coelestis. Zeven jaar later werd de toren gerestaureerd en moesten de drie spaanbalgen van Vollebregt, die in de toren opgesteld stonden, worden gedemonteerd.
Zij werden niet herplaatst maar vervangen door een rechtopgaande balg met inspringende en uitspringende vouw. Naar verluidt leverde Jos. Vermeulen uit Alkmaar de nieuwe balg.
In 1940 schreef Joseph Adema een brief aan het kerkbestuur waarin hij een noodzakelijke restauratie van het orgel aankaartte. Hoewel de pastoor daarnaar wel oren had, kon vanwege de bezetting pas in 1944 door de opvolger van Adema, Hubertus Schreurs, de draad worden opgepakt.
Hij kwam met een uitgebreid restauratieplan dat voorzag in een algehele schoonmaak en technisch onderhoud aan de claviatuur en de mechanieken.
Verder moest onder andere van een aantal pijpen een deel van de voet worden vervangen vanwege aantasting door tinpest. Ook zouden grotere labiaalpijpen, die door Vollebregt op lengte waren gesneden, worden voorzien van een opzetstuk met stemslits; de houten pijpen zouden worden gevernist of gelakt. Door middel van het vlakken van de onderzijde van de pijpstokken en het aanbrengen van Spaanse ruiters hoopte Schreurs doorspraak te verhelpen. Ten slotte zouden nieuw te plaatsen compresseur- en regulateurbalgen soelaas bieden voor de hortende en stotende wind. Meer ingrijpend waren de voorstellen voor wijzigingen in het registerbestand: vervanging van de Misctuur en lepels en tongen van de Trompet van het Hoofdwerk, vervanging van de Trompet van het Pedaal voor een Bazuin 16, de Floute dolse [sic] van het Onderpositief voor een Sesquialter en de Vox Coelestis voor een nieuw gelijknamig register vanaf c. Op een aparte lade zouden een nieuwe Kromhoorn 8 en een Fagot-Hobo 8 komen te staan. Ook opperde Schreurs om een nieuwe, vrijstaande mechanische speeltafel te maken.
In 1950 raakte de Rijkscommissie voor orgels (het orgel was met het oog op de dreigende oorlog in 1939 tot rijksmonument verheven) in de persoon van Ceacilianus Huigens betrokken bij de restauratieplannen.
Dat betekende het begin van gesteggel tussen Schreurs en de commissie.
Die laatste zag de vergaande voorstellen tot vervanging liever wat getemperd. Uiteindelijk maakte Schreurs eind april 1953 een vierde prijsopgave.
Basis daarvan was nog altijd zijn plan uit 1944, maar de uitbreidingen waren nu vervallen. Alleen de Floute dolce werd een Sesquialter en van de Misctuur werd met gebruikmaking van de aanwezige pijpen de samenstelling veranderd. Van de Trompet van het Hoofdwerk werden alleen de tongen vervangen en de veertien fontpijpen van de Octaafbas van Pedaal werden omgesmolten en opnieuw gemaakt. De windvoorziening werd terughoudend aangepast met twee regulateurs. Windladen en mechaniek bleven goeddeels buiten de restauratieplannen.
Na toestemming uit Den Haag kon Schreurs in 1953 met de restauratie beginnen en op 12 september 1954 werd het orgel ingespeeld door Albert de Klerk. Twee maanden na de ingebruikneming berichtte A. Bouman negatief over de restauratie aan de Rijkscommissie. Hiermee werd naast de orgelbouwer ook adviseur De Bruijn, die een positief eindrapport had opgesteld, in verlegenheid gebracht. De actie van Bouman blokkeerde de uitkering van de rijkssubsidie. Een positieve herkeuring door Albert Smijers en George Stam maakte een eind aan de patstelling.
In de jaren zeventig van de vorige eeuw werd een rapport opgesteld door Hans van der Harst namens de Katholieke Klokken- en Orgelraad. Dit naar aanleiding van vermeend slecht onderhoud aan het orgel. Niets bleek volgens Van der Harst echter minder waar. Een tweede rapport van zijn hand uit 1990 vermeldde nog, net als andere literatuur, Johannes Vollebregt als bouwer op basis van het veronderstelde bouwjaar 1871.
Uit de vondst van een bericht over de inauguratie in De Tijd van 1 maart 1878 moest het jaartal van de ingebruikneming worden bijgesteld: het instrument bleek ingewijd op 27 februari 1878. Met deze informatie kon de toeschrijving aan Johannes Vollebregt niet worden gehandhaafd: Vollebregt senior overleed in 1872 en dus is zijn zoon Jacobus de bouwer geweest.
Sinds 1995 was Ton van Eck als opvolgend adviseur bij het project betrokken.
Het orgel was er niet best aan toe: de uitstekende delen van de kas moesten worden gestut om verdere verzakking tegen te gaan. Door restauratiewerkzaamheden aan de kerk kon pas in 2004 een overeenkomst worden aangegaan tussen het parochiebestuur en uitverkoren orgelmaker Verschueren uit Heythuysen voor de restauratie van het orgel.
Eind 2004 demonteerde men het orgel en twee jaar later werd het instrument weer opgebouwd in de kerk.
De koortribune werd verstevigd om herhaling van de verzakkingsproblemen te voorkomen. Met het oog daarop is de kas zelf ook geconsolideerd.
De oorspronkelijke dispositie werd hersteld, waarbij op het Onderpositief gebruik werd gemaakt van de aanwezige Hobou 8 uit 1954. De Sesquialter van hetzelfde manuaal verdween en op die plaats keerde een Floute dolse terug, nieuwgemaakt naar voorbeeld van het Vollebregt-orgel in Deest (1852/56, oorspronkelijk gebouwd voor ‘s-Hertogenbosch). De Misctuur kreeg de oorspronkelijke samenstelling terug, een aantal pijpen moest nieuw worden gemaakt. Bijzonder is nog dat de windmotor uit 1923 na revisie opnieuw is geplaatst.
Het orgel werd opnieuw in gebruik genomen op 17 september 2006. De parochie gaf ter gelegenheid daarvan een uiterst informatief boekje uit met tekst van Ton van Eck (zie hieronder bij bronnen).

Dispositie Vollebregt-orgel in Ouderkerk aan de Amstel registers in ladevolgorde vanaf het front spelling van de registernamen volgens de registerplaatjes
 

Hoofdwerk (II, C-f3)
Prestant 8 C-h in het front, rest op de lade; c1-h1 zijbaarden
Bourdon 16 C-h eiken, rest metaal; zijbaarden
Salicionaal 8 C-H gecombineerd met Holpijp; c-h1 zijbaarden; waarschijnlijk een toegeleverd register
Holpijp 8 C-H eiken, rest metaal; zijbaarden
Octaaf 4 C-f2 nieuwe voeten en randen; fis2-f3 originele randen, op lengte gesneden
Qint 3 conisch; C-h2 zijbaarden; c1-f3 op lengte gesneden
Fluit 4 C-f2 gedekt, rest open conisch; C-f2 nieuwe steminrichtingen,rest originele randen, op lengte gesneden; hele register zijbaarden
Nachthoorn 2 C-f1 nieuwe bovenranden, hele register op lengte gesneden
Misctuur III diverse nieuwe bovenranden; samenstelling: C 2 1 1/3 1 c1 2 2/3 2 2 c2 4 2 2/3 2 c3 5 1/3 4 4
Trompet B/D 8 metalen stevels met koperen ringen; C-H koperen schoenen, c-h metalen schoenen; c1-f3 bekers aan de kop gesoldeerd
Onderpositief (I, C-f3)
Gemshoorn 2 C-h nieuwe bovenranden met stemslits, rest oorspronkelijke randen op lengte gesneden; C-f2 zijbaarden
Roerfluit 4 C-f2 roeren, rest open conisch; hele register zijbaarden
Saliset 4 C-f2 nieuwe bovenranden met stemslits, rest oorspronkelijke randen op lengte gesneden; C-h zijbaarden
Floute dolse 8 2006; grenen; C-h gedekt, rest open
Bourdon 8 C-H eiken, rest metaal; hele register zijbaarden
Prestant 8 C-H gecombineerd met de Bourdon; c-h1 zijbaarden
Viola di Gamba 8 C-H afgevoerd; C-h kastbaarden, rest zijbaarden
Hobou D 8 1954; Franse bekers
Pedaal (C-c1)
Octaafbas 8 C-cis front: 1954, uit omgesmolten oorspronkelijke pijpen,met koperen binnenvoet 2006; rest op lade
Subbas 16 grenen; C-Dis gedekt, rest open; stemuitsnijdingen met metalen stemlappen; afgevoerd
Wijdgedekt 8 metaal; gehele register zijbaarden
Prestant 4 C-H bijgedrukte labia
Octaaf 2 C-Cis zijbaarden
Trompet 8 factuur: zie Trompet Hoofdwerk

Werktuiglijke registers
Ventil
Manuaalkoppel (trede)
Koppel Ped.[aal] (registerknop)
winddruk: 75 mm wk.
toonhoogte: a1 = 435 Hz
stemming: evenredig zwevend


Bronnen:
-
Ton van Eck, ‘Als een waardig sieraad in deze schoone kerk’. Over het orgel van Jacobus Vollebregt in de St. Urbanuskerk te Ouderkerk aan de
Amstel. Ouderkerk aan de Amstel 2006;
-Hans Fidom (red.), Het Historische Orgel in Nederland 1878 – 1886. Amsterdam 2006, 36-38.