Koog aan de Zaan, Doopsgezinde Vermaning
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2007-03 Maart]

Foto: Flentrop Orgelbouw B.V.

Pieter Flaes (1812–1889) genoot zijn opleiding tot orgelbouwer bij de firma J. Bätz & Co in Utrecht.
Daar ontmoette hij Diederich Brünjes (1809–1872), die afkomstig was uit Hannover. In de jaren 1839/1840 werkten zij mee aan de bouw van het Bätz-orgel van de Nieuwe Kerk in Delft. Het frontontwerp van het Delftse Rugwerk heeft later een groot stempel gezet op de fronten van Flaes. In 1842 vestigden Flaes en Brünjes zich getweeën als zelfstandige orgelmakers in Amsterdam. Hun werkzaamheden bestonden aanvankelijk uit onderhoud en herstel.
In Noord-Holland kwam een groot deel van hun oeuvre tot stand.
Zo hadden zij al in 1838 in dienst van Bätz meegewerkt aan het orgel in de Doopsgezinde Kerk van Zaandam (Oostzijde). In 1843 voltooiden zij het nieuwe orgel voor de Hervormde Kerk van Krommenie, waaraan Quellhorst en Comp. waren begonnen. Deze zaak zal zeker de aandacht hebben getrokken, want de arrondissementsrechtbank van Amsterdam verleende toestemming aan de kerkvoogden om de klus af te laten maken door Flaes en Brünjes. Overigens is dit orgel in 1969 gesloopt en verdwenen.
Daarvoor in de plaats kwam het instument uit de Zaandamse Oostzijder vermaning. De overplaatsing van het Garrels-orgel van Purmerend, die zij in 1852 uitvoerden, zal ook aan hun bekendheid in deze contreien hebben bijgedragen. In 1854 kregen zij de opdracht tot de bouw van hun eerste geheel nieuwe instrument.
Dit orgel, dat bestemd was voor de ‘Friese’ doopsgezinde gemeente in Wormerveer, werd in 1855 opgeleverd.
Voor de hervormde Oostzijderkerk in Zaandam maakten zij een orgel in 1863. Dat de doopsgezinden van Koog aan de Zaan in 1870 voor Flaes kozen, was dus niet zo verwonderlijk. Flaes werkte op dat moment overigens alleen.
In 1869 was de samenwerking beëindigd tussen hem en Brünjes.
Laatstgenoemde legde zich sindsdien toe op de bouw van piano’s.
De komst van een orgel in de doopsgezinde gemeente van Koog aan de Zaan was allerminst vanzelfsprekend.
Er ging een flinke discussie aan vooraf; voordien zong de gemeente onder leiding van een voorzanger.
De kapconstructie van de kerk moest voor het nieuwe orgel worden aangepast. Tijdens het concert bij de ingebruikname van het orgel werd gecollecteerd voor het toen drie jaar oude Rode Kruis, hetgeen typerend is voor de doopsgezinde maatschappelijke betrokkenheid.
Flaes bouwde een gecombineerde lade voor de beide werken, zoals hij dat bij veel van zijn orgels deed.
De registers van het Nevenwerk staan direct achter het front. Daar bevindt zich ook de ventielkast van het tweede manuaal. Achter op de lade staan de registers van het Hoofdwerk. De bijbehorende ventielkast is achter aan de lade aangebracht.
Het laderaam is van eiken, voor de regels en sponsels werd naast eiken ook mahonie toegepast. De ventielen zijn van mahonie. Een opvallend element is de volledig uitgebouwde Prestant 8 van het Nevenwerk. Ooit, in zijn eerste zelfstandig gebouwde orgel voor de vermaning van Wormerveer, had Flaes eenzelfde oplossing bedacht voor de grootste tien pijpen van het gelijknamige register op het tweede manuaal: plaatsing in het front. Dat was toen een royale toegift op wat in het bouwbestek was vastgelegd, namelijk een groot octaaf geheel met gedekte pijpen.
Dit principe van een volledig zelfstandig groot octaaf voor de Prestant 8 of Salicionaal 8 van het tweede manuaal, paste Flaes, als het even kon, ook in zijn latere orgels toe. Voorbeelden hiervan zijn de (middelgrote) instrumenten in Ouderkerk aan de Amstel (Hervormde Kerk), Zaandam (Oostzijderkerk), Westzaan (Grote Kerk) en Westbroek (Hervormde Kerk).
De pijpen voor C-c1 van de Bourdon werden op een aparte lade gezet.
Waarschijnlijk sprak de Bourdon permanent op het pedaal door middel van een mechaniek tussen het pedaalklavier en het transmissielaadje; op het Hoofdwerk was het register in- en uitschakelbaar.
Ten behoeve van de bas van de manuaalversie van de Bourdon liep een verbinding vanaf de wellenarmpjes van het Hoofdwerk naar de transmissielade.
Het orgel kende sinds de bouw een rustige geschiedenis zonder grote ingrepen. H.W. Flentrop voegde een tremulant toe in 1924.
In 1926 werkte A. Bik aan het orgel, waarbij hij het pedaalklavier verving en de transmissielade van de Bourdon pneumatisch maakte.
Op het Nevenwerk verving hij de Salicionaal 8 voor een Voix Céleste 8 vanaf c.
In 1985 verving Flentrop Orgelbouw membranen en leren moeren.
De tand des tijds knaagde echter gestaag aan het orgel en een restauratie werd noodzakelijk. In 1998 schreef Jan Jongepier een rapport. Zijn opvolger, Wim Diepenhorst, droeg in 2002 de adviseurstaak op zijn beurt over aan Henk Verhoef. In maart 2004 werd de opdracht tot restauratie verstrekt aan Flentrop Orgelbouw uit Zaandam.
De restauratie van de kas werd gegund aan Janjo de Jong uit Heerhugowaard. In mei 2005 begonnen de werkzaamheden.
De kromgetrokken panelen in de kas werden weer sluitend gemaakt.
Oorspronkelijk hadden de torens plafonds van doek die later vervangen waren door plaatmateriaal.
Het doek is nu weer terug. De kleurlaag van de kas is gerestaureerd en het bladgoud bijgewerkt.
De balg van Flaes is opnieuw beleerd en er werd een nieuwe windmotor geplaatst. De aangetroffen balggewichten zijn zonder twijfel de oorspronkelijke. De winddruk is dus niet veranderd ten opzichte van 1870.
De transmissielade van de Bourdon, die in 1926 deels werd omgebouwd en gepneumatiseerd, is gereconstrueerd. Na demontage kon de plaats waar het windkanaal oorspronkelijk was aangesloten, teruggevonden worden. Er is weer een verbinding met abstracten aangebracht van de extra wellenarmpjes van de de bas van het Hoofdwerk naar de Bourdonlade.
Ook van het pedaalklavier loopt een nieuwe tractuur naar deze lade. Sporen langs de klos van de balgtreden gaven hiervoor aanwijzingen. Door middel van beweegbare winkelhaakbalken is het register nu zowel op het Hoofdwerk als op het Pedaal in en uit te schakelen.
De gecombineerde lade van de manuaalwerken is uit elkaar genomen en opnieuw verlijmd. Loszittende sponsels zijn daarbij vastgezet met houten stiftjes en de hoeken van de cancellen zijn om en om beleerd. Onder- en bovenzijde van het cancellenraam zijn doorgaand met leer beplakt.
De Voix Céleste van Bik is weer vervangen door een Salicionaal 8. Het nieuwe pijpwerk is gemaakt op basis van het pijprooster en verder naar voorbeeld van het gelijknamige register van het Flaes-orgel in de Deutsche Evangelische Kirche in Den Haag (1870). Voor dit register werd een nieuw registeropschrift gemaakt door Flentrop, in stijl van de andere naamplaatjes. Gelet op die stijl stammen de opschriften overigens uit 1926.
Voor het overige pijpwerk gold dat alleen wat gebruikelijke schade aan pijpranden, stemkrullen, baarden en voeten hersteld behoefde te worden.
De intonatie moest slechts licht geretoucheerd.
Gelijktijdig met dit orgel was het pijpwerk van het Flaes-orgel uit Wormerveer in de werkplaats bij Flentrop. Dat gaf de mogelijkheid om het pijpwerk van een vroeg instrument van Flaes (zelfs het eerste) te vergelijken met dat van een orgel uit zijn middenperiode. Het pijpwerk van Flaes is wat grof van factuur. Zo staat het corpus dikwijls scheef op de voet.
Veel opsneden zijn scheef, of enigszins rond. Bij veel prestanten is het bovenlabium zo diep ingeritst dat kleine scheurtjes zijn ontstaan. Naast de gelijkenis in de grote lijnen, zijn er ook verschillen. De bovenlabia van het orgel uit Wormerveer zijn hoger dan die van Koog; de onderlabia zijn in Wormerveer vlak, terwijl ze in Koog vrij sterk naar buiten bollen.
Het kernstekenbeeld is in Wormerveer nogal divers: zeer fijne kerfjes naast grovere steken, die zeker niet oorspronkelijk zijn. In Koog is het beeld uniform. De steekjes zijn dieper dan die in Wormerveer maar zeker niet zo diep als die grofste daar. Uit de gaafheid van het beeld in Koog kon worden afgeleid dat er geen intonatiewijzigingen hadden plaatsgevonden.
Dat klopt met de geschiedenis van het instrument. Adviseur en orgelmaker vinden het niet gewaagd om te concluderen dat deze gegevens een ontwikkeling laten zien in het werk van Flaes: van een klankbeeld met zekere verfijning en elegantie naar een ronder, robuuster en monumentaler karakter.
Op 23 april 2006 werd het orgel opnieuw in gebruik genomen. De opbrengst van de collecte die hierbij gehouden werd, ging naar hetzelfde doel als in 1870: het Rode Kruis.

Dispositie orgel Doopsgezinde Vermaning te Koog ad Zaan

Hoofdwerk (I, C-f3)
Prestant 8 C-B in het front, vervolg op de lade C-c3 expressions
Bourdon 16 C-c1 eiken, vervolg metaal
Octaaf 4 C-c2 expressions
Quint 3 C-f1 expressions
Octaaf 2 C-c1 expressions
Cornet IV D op twee verhoogde banken  open fluiten, smal gelabieerd, met spits geritste bovenlabia 4-voets koor c1-gis1 expressions  samenstelling c1 4, 2 2/3, 2, 1 3/5
Mixtuur III B/D samenstelling: C 2, 1 1/3, 1 c 2 2/3, 2, 1 1/3 c1 4, 2 2/3, 2  c2 5 1/3, 4, 2 2/3
Trompet 8 B/D metalen stevels, loden koppen, messing kelen vanaf a zijn de bekers in de koppen gesoldeerd stevels bovenaan verstevigd met een messing bandje kelen beleerd van C-d1  stemkrukken oud
Nevenwerk (II, C-f3)
Prestant 8 C-A in het front, vervolg op de lade  C-c3 expressions
Salicionaal 8 C-Gis gecombineerd met Prestant 8  vanaf A 2006
Holpijp 8  
Viola di gamba 8 C-Gis gecombineerd met Holpijp 8  C-c3 expressions
Roerfluit 4 vanaf fis2 open, met spits geritste bovenlabia
Pedaal (C-c1)
Bourdon 16 transmissie van de Bourdon 16 van het HW

Koppels: HW+NW, Ped+HW
tremulant (gehele orgel)
winddruk: 90 mm wk.
toonhoogte: a1= 438 Hz
stemming: evenredig zwevend

Bronnen: