Almelo, Doopsgezinde Kerk
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2006-12 December]

Foto: Orgelmakerij Reil
Op 30 september 1790 sloot de Doopsgezinde kerkenraad van Almelo een contract met Friderich Heilmann (1765-1820) voor de bouw van een orgel met een Manuaal van acht stemmen, een Rugwerk van vijf stemmen, een aangehangen pedaal en drie enkelvouwige spaanbalgen. De kerkbestuurders namen het besluit voor de plaatsing geheel op eigen houtje, wat hen in conflict bracht met de gravin van Rechteren onder wie Almelo destijds viel. De Griffier van Staten kwam er aan te pas en deze maande de kerkenraad alsnog toestemming te vragen. Doopsgezinden waren, hoewel respectabel, niet officiëel erkend en feitelijk slechts gedoogd, aldus de terechtwijzing. De gravin verleende in april 1791 haar toestemming voor de bouw van een orgel. Intussen waren aannemers al bezig om het gebouw klaar te maken voor het nieuwe instrument. Men creëerde een balgenkamer met balgstoel boven de consistoriekamer. Tevens bouwde men een orgelbalkon en maakte men een nieuwe preekstoel. Ook verzorgden deze ambachtslieden de ornamentiek voor het orgel in Lodewijk XVI-stijl. Wie de ontwerper daarvan is geweest, is niet meer te achterhalen.
Heilmann leverde zijn instrument medio 1791 op en ontving voor zijn werk 1.490 gulden.
Het instrument was amper een halfjaar oud toen het zwaar bekritiseerd werd door de uit Frankrijk afkomstige orgelbouwer Jacob Courtain (ca. 1745-1825). Zijn kritiek vloeide grotendeels voort uit de tegenstelling tussen zijn eigen vooruitstrevende ideeën en de meer conservatieve uitgangspunten van Heilmann.
De kerkenraad was kennelijk overtuigd door het vernietigende oordeel van Courtain, want zij sloot met hem op 10 december 1791 een contract af. In deze overeenkomst werd vastgelegd dat Courtain de balgen opnieuw zou beleren, een nieuwe windlade voor het Manuaal zou bouwen evenals twee nieuwe klavieren met een nieuwe manuaalkoppel. Tevens zou hij de kast vergroten.
De functie van de manualen draaide hij om ten opzichte van de situatie-Heilmann: het onderklavier bediende nu het Rugpositief en het bovenklavier het Manuaal. Courtain vervaardigde nieuwe registertrekkers en nieuwe grenen wellenborden met ijzeren wellen. Tevens verbeterde hij de aanhanging van het pedaal.
Op het Manuaal plaatste hij een Trompet 8 (een register dat merkwaardigerwijs door Heilmann weggelaten was); ook verving hij de Mixtuur voor een nieuwe en plaatste een Cymbal op de plaats van de Sesquialter. Het Rugwerk kreeg eveneens een Cymbal.
Onduidelijk is wat Courtain met de Dulciaan van Heilmann heeft gedaan. De enkelvoudige stemmen van het Manuaal werden opgeschoven en aangevuld om de mensuren wijder te maken. In 1793 ontving Courtain de laatste betaling.
Drie jaar later sloot de kerkenraad opnieuw een overeenkomst met Courtain. De aanleiding hiervoor is niet duidelijk. De grote posten voor tin en lood wijzen wellicht in de richting van (verdere?) vernieuwing van het pijpwerk. In 1802 wordt Courtain voor de derde keer gecontracteerd, ditmaal om zijn eigen Vox Humana te veranderen. Uit de kasboeken blijkt dat hij dit register eerder gemaakt had, waarschijnlijk ter vervanging zijn eigen Cymbal van het Manuaal.


Manuaal Manuaal
 

Dispositie situatie Heilmann 1791 Dispositie situatie Courtain 1791/1802
Manuaal   Manuaal  
Praestant 8 Praestant 8
Gedakt 8 Petit Bourdon 8
Octav 4 Octav 4
Flute douce 4 Flute douce 4
Quint 3 Quinte 3
Octav 2 Super Octav 2
Mixtuur IV Mixtur IV
Sexquialter III Cymbal III (? 1802: Vox Humana 8)
[gereserveerd?]   Trompet 8 [B/D]
Rugpositief   Rugpositief  
Praestant 4 Praestant 4
Flute traversiere [8’] D Flute traversiere 8
Gedakt 8 Gedakt 8 B/D
Octav 2 Super Octav 2
Mixtuur III Mixtur III
    Cymbal II
Dulciaan 8 [Dulciaan] 8
Pedaal   Pedaal  
aangehangen   aangehangen  


Dat de werkzaamheden elf jaar duurden en met horten en stoten verliepen, is deels te verklaren door de rijkelijk gevulde orderportefeuille van Courtain en minder fraaie excuses zoals akkefietjes met schuldeisers elders, overigens buiten zijn schuld om.
Uiteindelijk was men in 1802 aan de verbouw van het orgel bijna net zoveel geld kwijt als aan de nieuwbouw in 1791.
In 1839 was er contact tussen de kerkenraad en de orgelbouwers Quellhorst en Naber over de modernisering van het instrument, dit naar aanleiding van de invoering van een nieuwe gezangbundel.
Quellhorst had als knecht van Courtain nog meegewerkt aan de verbouw van het orgel. Deze besprekingen leidden tot niets, maar in hetzelfde jaar tekende orgelmaker Jacob Armbrost (1771-1854) uit Haaksbergen voor de modernisering van het instrument. Hij voegde een zelfstandig pedaal met een Fagot 16 toe. De Mixtur van het Manuaal verdween en een Sesquialter werd aan dit werk toegevoegd; de beide mixturen van het Rugpositief maakten plaats voor een nieuwe gedeelde Dulciaan 8. Verder schoof Armbrost op het Manuaal de Octav 4 op tot een Praestant 16 D, en veranderde hij de Trompet van Courtain in een gedeeld tongwerk, in de bas als Cromhorn en in de discant als Trompet. Volgens contract hergebruikte hij voor dit laatste register onderdelen van een tongwerk (van Heilmann?) dat kennelijk op het Rugpositief stond.
In het contract is sprake van de Vox Humana van Courtain, maar die is uiteindelijk verdwenen. Over de aanwezigheid van een Cymbal op het Hoofdwerk wordt niet gerept. Op het Rugpositief verving hij de Flute traversiere door een Praestant 8 D. Uit aanwijzingen die gevonden werden bij de laatste restauratie, bleek dat hij niet geschoven heeft met pijpwerk om mensuren te veranderen en dat de toonhoogte van het orgel ook gelijk bleef.
Het technisch herstel betrof de manuaalkoppel en de klavieren, de windladen en de mechaniek. Ten slotte stemde Armbrost het orgel in de evenredig zwevende temperatuur.
In de jaren 1852 tot 1857 was het orgel in onderhoud bij J. Klein uit Lingen en in de jaren daarop, tot 1871, bij J. Poestkoke uit Zutphen.
In 1877 onderzocht Gerardus Elberink (1825-1897) uit Oldenzaal het instrument en bracht een offerte uit. Ook Richard Ibach uit Barmen diende een plan in dat echter veel rigoreuzer was: nieuwbouw in de bestaande kas. De keuze viel echter op Elberink, die het orgel eind 1877 demonteerde. Bij de oplevering in 1878 waren op het Manuaal de Sesquialter en de Quint 3 van het Manuaal verdwenen ten gunste van een Roerfluit 8 en een Octaaf 4. Dit laatste register ontstond door opschuiving van de oude Quint 3. Het gelijknamige register op het Rugpositief had plaats gemaakt voor een Viola 8.
Bij het onderzoek in 2005 bleek dat Elberink mensuren heeft gewijzigd door pijpen naar boven op te schuiven; grotere pijpen voorzag hij van expressions. De toonhoogte was vanaf 1878 a1 = 435 Hz.
Tien jaar heeft Elberink het orgel in onderhoud gehad. Daarna was dat tot 1898 in handen bij de Fa. L. van Dam uit Leeuwarden.
Twintigste eeuw
In de twintigste eeuw werd de eerste grotere ingreep gedaan door J. de Koff en Zoon uit Utrecht. In 1922 verving hij de Fagot van het Pedaal uit 1839 door een pneumatische geregeerde Subbas 16.
Op het Rugwerk verdween de Dulciaan uit 1839 ten gunste van een Voix Célèste 8 B/D (sic) en werd de combinatie Cromhorn B/Trompet D van het Hoofdwerk verwijderd. De expressions die Elberink aangebracht had, werden dichtgemaakt en de pijpen werden voorzien van stemkrullen. Bij deze gelegenheid werd ook de klaviatuur vernieuwd. In 1930 plaatste De Koff een windmotor.
Drie jaar later vond een reparatie van het pijpwerk plaats en werd de Subbas van het Pedaal mede bespeelbaar gemaakt op het Manuaal om samen met de Praestant 16 D, die voor dat doel omgebouwd werd, een doorlopende zestienvoet te vormen.
In 1927 werd de orgelkas roomwit geschilderd.
De restauratie die Leeflang Orgelbouw uit Apeldoorn in 1956 voltooide, was een eerste bescheiden stap om het instrument weer zijn oorspronkelijke identiteit terug te geven. Op de plaats van de Roerfluit 8 van Elberink werd een nieuwe Mixtuur III/IV geplaatst, daar waar ooit het gelijknamige register van Courtain stond.
De lege tongwerksleep van het Manuaal werd voorzien van een nieuwe Dulciaan 8 B/D. Verder werd gepoogd om kernsteken weg te wrijven en werden pijpen weer verder ingekort en tevens werden opsneden gecorrigeerd. De open achterwand van de bovenkas van het Manuaal werd van nieuwe luiken voorzien. Ook vernieuwde Leeflang de klavieren en registeropschriften en plaatste hij een nieuwe tremulant en schokbrekerbalgen voor de manuaalwerken.
Bij de revisie van de tractuur werden de draaipunten ingevoerd met kernlaken. De frontpijpen werden schoongemaakt en enig snijwerk in het front gerepareerd.
Onder advies van Aart van Beek werkte Leeflang in 1985 opnieuw aan het orgel. Men herstelde de windlade van het Rugpositief, waarbij de wijzingen uit 1956 ongedaan werden gemaakt. In 1988 volgde restauratie van de nog aanwezige oude balgen. Kort daarna werd een verzakking van het orgelbalkon geconstateerd en werd de restauratie stilgelegd. Pas in 2000 bleek de situatie voldoende stabiel om verder te werken aan het orgel. Jammergenoeg was er door de problemen schade ontstaan aan de al gerestaureerde delen.
Wim Diepenhorst werd aangetrokken als adviseur.
Het restauratieplan van 2000 was om budgettaire redenen sober gehouden. In de kern voorzag het in de voortzetting van de werkzaamheden uit de jaren tachtig: herstel van de manuaalladen en de hele mechaniek. De dispositie zou gehandhaafd worden, inclusief de Subbas op het Pedaal. De bezetting van het Rugpositief zou wel worden aangepast omdat daar - zoals we zojuist zagen - al in 1985 een begin mee was gemaakt. De kas zou zijn kleur van dat moment behouden.
In 2003 bleek er meer geld voorhanden te zijn dan aanvankelijk werd gedacht en men breidde de plannen uit tot volledig herstel van de situatie Armbrost. Na demontage vond opnieuw uitgebreid onderzoek aan het pijpwerk plaats. Eerder was al gebleken dat bijna alle oude pijpen van Heilmann nog aanwezig waren; nu kon de complexe samenhang tussen de latere veranderingen worden ontrafeld. Een en ander leidde tot weer verdere bijstelling van de plannen.
Recente restauratie
De jongste restauratie werd in 2005 en 2006 uitgevoerd door Gebr. Reil uit Heerde. De windkanalen werden gereconstrueerd naar de originele toestand. De lade van het Manuaal werd hersteld, waarbij geweven ringen werden aangebracht tussen het fundamentbord en de stokken. De ventielen van het Manuaal werden voorzien van achterstiften, in aansluiting op de ophanging van de rugwerkventielen door Leeflang (1985). De registermechaniek werd hersteld.
Uit archiefmateriaal bleek, in tegenstelling tot vroegere gegevens, dat Armbrost in 1839 de klavieren van Courtain handhaafde.
Voor het vervaardigen van een nieuwe passender klaviatuur nam Reil vroeg werk van Quellhorst als voorbeeld bij gebrek aan een specimen van Courtain zelf.
Alle pijpwerk is gerestaureerd. De frontpijpen kregen steminrichtingen naar voorbeeld van onaangetaste stomme exemplaren.
De Bourdon 16 van het Manuaal is na ombouw nu weer een Praestant 16 D. De Koff had bij veel pijpen delen van corpora afgesneden - en voorzien van deksel - als hoeden hergebruikt. Deze stukken zijn door Reil weer aan het corpus gesoldeerd waarna nog verdere verlenging plaatsvond. Alle pijpen keerden terug naar de plaats die zij van Armbrost kregen. Daardoor werd pijpwerk van Elberink overbodig. Bij de reconstructie van de nieuwe registers sloot men aan bij het Armbrost-beeld. Voor de nieuwe Sesquialter en Quint 3 werd aangeknoopt bij de Heilmann-factuur, omdat Armbrost zeer waarschijnlijk oude pijpen gebruikte in zijn nieuwe stemmen. Door het terugschuiven van de Octaaf 4 van het Hoofdwerk en aanvulling met nieuw pijpwerk werd de oude Quint 3 herwonnen. Op het Pedaal werd een nieuwe Fagot 16 geplaatst naar voorbeeld van het Armbrost-orgel in Uitwijk. Op verzoek van de organist werd de bestaande Subbas van De Koff (enigszins aangepast) gehandhaafd. Voor deze twee registers werd een nieuwe pedaallade en mechaniek gebouwd.
De oorspronkelijke toonhoogte kon worden vastgesteld op een voor een Westfaalse bouwer als Heilmann gebruikelijke a1 van 470 Hz. Aanwijzingen hiervoor werden gevonden in enkele pijpen die, ondanks alle veranderingen, op hun oorspronkelijke plek stonden.
Ook de kraslijnen die ontstonden op gedekte pijpen bij het afsnijden van het papier tussen hoed en corpus, wezen in de richting van een hoge stemming. Verdere bevestiging werd gevonden in twee nooit aangesloten frontpijpen met originele insnijdingen en dus oorsponkelijke toonhoogte.
Al deze bevindingen vielen bovendien te rijmen met het voorstel van Quellhorst en Naber (1839) om het orgel een halve toon lager te stemmen. Armbrost bleek niets aan de hoogte te hebben veranderd, zoals hij dat bij het orgel in Hervormde Kerk te Westervoort in 1832 ook niet deed. Het orgel werd ten slotte in evenredig zwevende temperatuur gestemd, zoals het contract uit 1839 vermeldt.
Voor bepaling van de winddruk dienden de op de balgbladen aangetroffen, hoogstwaarschijnlijk originele natuurstenen gewichten als ijkpunt.
Het kleurenonderzoek leidde tot herstel van de oorspronkelijke mahonie-imitatie van de kas. Het verguldwerk aan de orgelkas, balustrade en preekstoel werd vernieuwd. Er werd een nieuwe eiken achterwand in de Manuaalkas geplaatst ter vervanging van de wand die Leeflang in 1956 maakte. Het snijwerk, dat in zeer slechte staat was, werd gerestaureerd.
Het orgel is op 9 juni 2006 feestelijk in gebruik genomen.
Ter gelegenheid van de voltooiing van de restauratie gaf de Doopsgezinde Gemeente van Almelo een boekje uit met daarin een uitgebreide geschiedenis van het instrument en een dito verantwoording van de restauratie door de Gebr. Reil.

Dispositie - situatie 2006 (1839)
Manuaal (II, C-f3)
Praestant 8 Dis-cis1 front; C-D hout met doorboorde stoppen, Courtain; Dis-d3 Heilmann 1791; dis3-f3 2006
Praestant 16 D c1-d3 Heilmann 1791 (C-d1 van de Octav 4); dis3-f3 2006
Holpijp 8 C-Fis Courtain, grenen met eiken voorzijde; G-H Heilmann 1791, eiken; c-d3 Heilmann 1791 (gedeeltelijk uit de Flute Douce 4 van Heilmann); dis3-f3 2006
Quint 3 voet C-g2 Heilmann 1791; gis2-f3 2006
Gedackt 4 voet C-f2 Courtain; fis2-dis3 Courtain uit vulstem, door Armbrost aangepast; e3, f3 2006
Sesquialter II D 2006
Octaaf 2 C-d3 Heilmann 1791; gis, dis3-f3 2006
Cromhorn 8 B 1956/2006
Trompet 8 D 1956/2006
Rugpositief (I, C-f3)
Praestant 8 D c1-dis1 1839; e1-cis3 Heilmann 1791 (deels Terz 1 3/5 uit de Sexquialter van Heilmann); d3-f3 2006
Praestant 4 C-d1 front; C-cis3, dis3 Heilmann 1791; d3, e3, f3 2006
Gedackt 8 C-A Courtain, grenen met eiken voorzijden; B-h Heilmann 1791, eiken; c1-dis3 Heilmann 1791; e3, f3 2006
Quint 3 C-f3 2006
Octaaf 2 C-d3 Heilmann 1791; dis3-f3 2006
Dulciaan 8 C-f3 2006
Pedaal (C-d1)
Subbas 16 1923/2006
Fagot 16 2006

Tremulant (2006)
Koppelingen
 Manuaal-Rugpositief
 Pedaal-Manuaal
 Pedaal-Rugpositief
toonhoogte: a1=470 Hz
stemming: evenredig zwevend
winddruk: 62 mm wk.

Website van de Doopsgezinde Gemeente te Almelo: www.dgalmelo.doopsgezind.nl

Bronnen:
Albert Jansen & Wim Diepenhorst, ‘Wyl zy buiten alle regelen gemaakt is’. Almelo 2006; Het boekje kan besteld worden bij dhr. P.U. Bergsma, Schapendijk 9, 7642 UR Wierden, tel. 0546 575730. Prijs: €8,00 excl. verzendkosten.
Jan Jongepier, Het Historische Orgel in Nederland, 1790-1818, Amsterdam 1999, 50-53.