Roden, Catharinakerk
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2006-10 0ktober]

Foto: Jan Smelik

Het orgel in de Catharinakerk in Roden werd in 1780 gebouwd door Albertus Anthoni Hinsz, bijgestaan door zijn stiefzoon Franz Caspar Schnitger jr.. De keuze voor Hinsz zal mede bepaald zijn door de Groningse organist Jakob Wilhelm Lustig, invloedrijk en persoonlijke vriend van Hinsz. De bouw en later het onderhoud werden mogelijk gemaakt door een fors legaat dat specifiek voor deze doelen bestemd was. Het instrument werd in april 1780 gekeurd door Lustig.
In de jaren 1792/1793 vond een verfraaiing van het kerkinterieur plaats. Bij die gelegenheid werd een schildering van een baldakijn met kap en draperieën aangebracht op het houten beschot achter de kas, en als fresco op de muren ter weerszijden van de orgelkas.
Het instrument zelf werd schoongemaakt en gerepareerd door Schnitger jr. en Heinrich Hermann Freytag die het orgel in onderhoud hadden.
Na de dood van Schnitger jr. in 1799 droeg Freytag samen met zijn zoons, onder wie Herman Eberhard, zorg voor het instrument. Zeer waarschijnlijk bleef het orgel onder de hoede van de familie Freytag tot 1862, het jaar waarin hun orgelmakerij ophield te bestaan.
Belangrijkste gebeurtenis in deze periode was de omvangrijke herstelbeurt in 1857 die uitgevoerd werd door Herman Eberhard.
Hij demonteerde een gedeelte van het orgel om een verzakking van de kas te verhelpen. Teven herstelde hij balgen en pijpwerk en maakte hij het instrument schoon. Dat hij daarbij piëteitsvol met Hinsz’ werk omging, blijkt onder andere uit de handhaving van de aanwezige toonhoogte en de niet evenredig zwevende stemming.
Bij deze gelegenheid werden ook de frontpijpen opnieuw gepolijst en de labia opnieuw verguld. Bovendien werd het snijwerk hersteld en werd de kas geschilderd en verguld.
Over de periode die volgde, is in de archieven bijna niets terug te vinden. Het is aannemelijk dat vanaf in ieder geval 1878 de fa. Van Oeckelen het orgel onderhield.
In 1932 werd het instrument gedemonteerd in het kader van een ingrijpende kerkrestauratie, waarbij onder andere alle binnenmuren werden ontpleisterd. Bij herplaatsing door de Electrische Kerkorgelfabriek M. Spiering uit Dordrecht in samenwerking met H. Thijs te Harenermolen, keerden de registers Mixtuur, Sesquialtera, Dulciaan en Vox Humana niet meer terug en werd de Nasat 3 vervangen door een zwevend gestemde Gamba 8. De beide tremulanten en de afsluiters verdwenen, net als de oude windvoorziening met het balgenhuis.
Op de leeggekomen plaats installeerde men een nieuwe verwarmingsinstallatie. De orgelwind werd voortaan geleverd door een electrische ventilator met een magazijnbalg.
Op verzoek van de restauratiearchitect werd de orgelgalerij ingekort en met het oog daarop werden de klaviatuur en het mechaniek aangepast.
Opmerkelijk genoeg bleef de toonhoogte, nog steeds die van Hinsz, opnieuw gehandhaafd. Van grote kwaliteit was de herbouw echter niet, blijkens een rapport van A. Bouman uit 1939.
De eerste aanzetten voor een volgend herstel werden gedaan in 1948. Orgelbouwer Mense Ruiter restaureerde het instrument maar kon het werk door een stroeve gang van zaken tussen alle betrokken partijen pas in 1955 opleveren. Ruiter veranderde de windvoorziening ingrijpend door de plaatsing van een tweede balg en scheidde de kanalisatie van Hoofd- en Rugwerk. Er werden twee nieuwe pneumatische tremulanten aangebracht en de windladen werden voorzien van telescoopveren en ontlaatventieltjes. Het regeerwerk werd gedeeltelijk vernieuwd en de klaviatuur werd opnieuw verlegd. De in 1932 verdwenen vulstemmen en tongwerken werden in stijl bijgemaakt. Voor de tongwerken kon men daarbij gebruikmaken van enkele originele onderdelen die nog bewaard waren gebleven.
Hoewel dat in eerste instantie niet de bedoeling was, verdween bij deze restauratie het originele front- en binnenpijpwerk van de Prestant 8 en de Prestant 4. Het werd vervangen door pijpwerk van een bij benadering zelfde mensuur.
Vanaf eind jaren zestig werden herstelwerkzaamheden opnieuw steeds noodzakelijker. Uiteindelijk werd in 1988 Stef Tuinstra gevraagd de situatie in kaart te brengen. Hij is als adviseur bij de hele jongste restauratie betrokken geweest. De akoestiek van de kerk, die ten gevolge van de ontpleistering van 1932 matig was, had speciale aandacht. De Rijksdienst voor de Monumentenzorg stelde zich, samen met vele anderen, op het standpunt dat deze ingreep uit 1932 een historische vergissing is geweest. Na uitgebreid onderzoek werd terugkeer van de pleisterlaag bepleit om tot een volwaardig herstel van de Hinsz-klank te kunnen komen. Het plan voor herpleistering stuitte echter op grote bezwaren bij de Roder gemeenschap. Na heftige discussie liet men het plan varen. Omdat de herpleistering voorwaarde was voor de vervanging van de pijpwerkreconstructies uit 1955, bleven deze gehandhaafd.
Vanwege beperkte subsidiemogelijkheden en de herpleisteringskwestie werd besloten om de restauratie te faseren. De eerste fase werd in 1998 gegund aan orgelmaker Bakker & Timmenga. In
datzelfde jaar restaureerde deze de lade van het Hoofdwerk, de frontconducten en delen van het windkanaal; ook werd een nieuwe windmotor geplaatst.
Een herindeling in de provincie Drenthe, waarbij Roden opging in de grotere gemeente Noordenveld, veranderde het subsidieperspectief in gunstige zin: voltooiing van het project in één enkel slottraject werd mogelijk.
In december 2002 werd het startsein voor afronding van de restauratie gegeven. Na een periode van fondsenwerving kon de fa. Bakker & Timmenga in oktober 2004 het orgel demonteren. Het pijpwerk van Hinsz werd gerestaureerd, dat uit 1955 werd hersteld en zoveel mogelijk aangepast aan het Hinsz-pijpwerk, waarna herintonatie van het hele instrument plaatsvond. De windvoorziening werd gereconstrueerd op een nieuwe balgenzolder en bestaat nu uit drie eiken spaanbalgen met balgtreden. De windkanalen werden gerestaureerd en deels gereconstrueerd. In het hoofdwerkkanaal, vlak vóór de aansluiting van het Rugwerk, werd een nieuwe generale afsluiter aangebracht.
De ontlaatventieltjes uit 1955 werden verwijderd. De lade van het Rugwerk, het register- en toetsmechaniek werden hersteld. De handklavieren zijn om ergonomische redenen nu aangebracht op een hoogte tussen de ligging van 1780 en die van 1955. Het pedaalklavier werd gereconstrueerd. Het in 1932 verdwenen houten beschot tegen de achterwand van de kerk keerde terug; orgelbalkon, kas en ornamentiek werden hersteld en opnieuw in de was gezet.
Op vrijdag 27 januari 2006 vond de officiële heringebruikname van het instrument plaats, gevolgd door een feestelijke Hinsz-week met een open dag, een lezing en concerten. Ter gelegenheid van de restauratie gaf de Stichting tot Behoud van het Hinsz-orgel te Roden een boekje uit over de geschiedenis van het instrument.

Dispositie Hinsz-orgel in de Catharinakerk te Roden
(spelling registernamen volgens het contract uit 1777)

Manuaal (manuaal I, C-f3)
Praestant 8 (dubbel vanaf a0) 1955
Bordon 16 1780
Holpyp 8 1780
Octaaf 4 1780
Speelfluit 4 1780
Nassat 3 1955
Waldfluit 2 1780
Mixtuir V-VII B/D 1955
Trompet 8 B/D 1780
Voxhumana 8 B/D 1780 stevels 1955 koppen,bekers 2005 kelen, tongen
Rugpositief (manuaal II, C-f3)
Praestant 4 1955
Fluit Does 8 1780
Gedaktfluit 4 1780
Octaaf 2 1780
Spitsfluit 2 1780
Sexquialter II-IV 1955
Dulciaan 8 1780 stevelblok 1955 koppen, bekers 2005 kelen, tongen
Pedaal C-d1
Aangehangen  

Foto: Jan Smelik

Schuifkoppeling Manuaal – Rugpositief
Tremulant does (opliggend, voor het hele werk)
Tremulant (inliggend, voor het Rugwerk)
Toonhoogte: a1=442 Hz bij 20°C
Stemming: gemodificeerde 1/6 komma (zes kwinten 1/6 komma kleiner dan rein, zes kwinten rein)
Winddruk: 68 mm wk.

Bronnen:
-Het Hinzs-orgel in de Catharinakerk te Roden, 2006 (uitgave van de Stichting tot Behoud van het Hinzs-orgel te Roden);
-Jan Jongepier (red.), Het Historische Orgel in Nederland 1769-1790, Amsterdam 1999.