Helmond-Stiphout, Sint-Trudokerk
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2006-07 juli/augustus]

Op 23 april j.l. werd het kabinetorgel in de Rooms-katholieke Sint-Trudokerk opnieuw in gebruik genomen. De restauratie is uitgevoerd door Hans van Rossum en zijn medewerkers onder advies van Wim Diepenhorst (namens de Rijksdienst voor de Monumentenzorg) en Rogér van Dijk (namens de KKOR).
Het instrument bevindt zich sinds ongeveer 1982 in de Sint- Trudokerk maar de oorspronkelijke herkomst en het bouwjaar zijn onbekend. Voordat het in Stiphout werd geplaatst stond het in de kapel van kasteel Croy. De laatste bewoonster van dit kasteel, Jonkvrouwe Johanna Caroline Wilhelmina van der Brugghen (1795- 1873), vermaakte het kasteel met de inventaris aan de Stichting Geloof, Hoop en Liefde. In haar testament werd expliciet bepaald dat haar kabinetorgel niet mocht worden verkocht. Men mag dan ook aannemen dat dit instrument hetzelfde is als het thans in Stiphout aanwezige kabinetorgel.
Het orgel zelf dateert vermoedelijk in aanleg uit het laatste kwart van de 18de eeuw. Op het klavierplankje is het volgende opschrift zichtbaar: Hendrik Hermanus Hes me fecit Goudae. Dit zou erop kunnen wijzen dat het instrument werd gebouwd door de beroemde Goudse (huis)orgelmaker Hendrik Hermanus Hess (1735-1794). Zijn naam is echter niet correct gespeld. Bovendien wijkt het instrument op een aantal punten (vormgeving en indeling van het front en materiaalkeuze c.q. metaalsamenstelling van het pijpwerk) af van datgene wat van Hess bekend is. De windlade en de wijze waarop deze in de kas is bevestigd, de registermechaniek en een deel van de toetsmechaniek wijzen daarentegen wel in de richting van Hess (of diens school). De vorm van de bakstukken, de frontons en de lengte van de toetsen wijken daar echter weer van af. Verder is de klavieromvang op enig moment uitgebreid van C-d3 tot C-f3. Het metalen pijpwerk dat voor deze uitbreiding werd gebruikt, is echter van dezelfde makelij als dat van de overige tonen. De drie hoogste tonen van de Holpyp 8 zijn daarentegen wel van een afwijkende factuur. De discant van de Fluit 4 stamt duidelijk uit een latere periode en moet na de uitbreiding van de klavieromvang zijn vervangen.
Opvallend is dat het orgel op een aantal punten grote overeenkomsten vertoont met een kabinetorgel in de Oude Kerk te Delft dat vorig jaar door orgelmaker Hans van Rossum en zijn medewerkers werd gerestaureerd. Zo lijken de aan het Stiphoutse orgel uitgevoerde veranderingen voor een belangrijk deel te zijn verricht door de orgelmaker die ook het Delftse kabinetorgel wijzigde. Helaas biedt dit geen verdere aanknopingspunten voor de herkomst van het Stiphoutse orgel want ook de geschiedenis van het Delftse orgel is in dichte nevelen gehuld.
Het is dus niet duidelijk wie de oorspronkelijke maker van het orgel is en wanneer dit instrument in kasteel Croy werd geplaatst.
Duidelijk is wel dat het orgel in de loop der jaren meerdere malen gewijzigd werd. Afgaande op de aanwezigheid van oude kranten kon worden vastgesteld dat de oorspronkelijke achterwand omstreeks 1912 moet zijn gewijzigd.
Ook de bediening van de windvoorziening is enkele malen veranderd. De originele voetbediening werd op enig moment vervangen door een handzwengel aan de rechterzijde van de kas.
In een later stadium is het orgel voorzien van een windmotor en de handzwengel weer verwijderd. Bij een van deze ingrepen gingen het ventiel en de windwijzer verloren. Verder hebben niet alle registerknoppen dezelfde vorm en zijn ook bij de registerplaatjes sporen van veranderingen zichtbaar. Ook de speelmechanieken werden in de loop der jaren gewijzigd waarbij een deel van de oorspronkelijke stoters werd vervangen door een tweetal wellenbordjes. Ten slotte is de discant van de Fluit 4 op enig moment vervangen en zijn de open metalen pijpen deels van stemkrullen voorzien.
Bij de restauratie van het meubel is de kas constructief compleet gemaakt en voorzien van een nieuwe eikenhouten achterwand. De frontzijde is geheel gerestaureerd en waar nodig gecompleteerd, waarbij latere veranderingen ongedaan gemaakt zijn. Het hang- en sluitwerk is hersteld en het snijwerk boven het klavier is opnieuw verguld. Nadat het meubel was gerestaureerd is het waar nodig bijgekleurd en in de was gezet. Het geheel is op een nieuwe vlonder geplaatst.
De windlade is geheel gerestaureerd en met nieuw leer beplakt waarbij de stokken van geweven ringen zijn voorzien. Verder zijn de ventielen opnieuw bevestigd op de wijze zoals in de Goudse school te doen gebruikelijk aangebracht. De balg en de windkanalen zijn gerestaureerd en waar nodig vernieuwd. Tevens is er een nieuw ventiel en een nieuwe windzicht gemaakt. De toetsen zijn schoongemaakt en voorzien van een nieuw perkamenten scharnier.
De oude stoters zijn gerestaureerd en de aanwezige wellenborden vervangen door nieuwe stoters. Het pijpwerk is waar nodig hersteld waarbij de aangetroffen toonhoogte gehandhaafd is. De houten frontpijpen zijn van nieuw tinfolie voorzien met bladgoud op de labia. Aansluitend volgde een herintonatie op verlaagde winddruk.
Als temperatuur is gekozen voor 1/6 komma stemming (Vallotti).

Hoofdwerk   Onderpositief  
(Manuaal I, C-d3)   (Manuaal II, C-d3)  
Prestant 4 Holpijp 8
Gedekt 8 Roerfluit 4
Prestant 8 Disc. Nasard 3
Octaaf 2 Woudfluit 2
Sexqualter II Vox Humana 8

Aangehangen Pedaal (C-d1)
Tremulant gehele werk
Winddruk: 54 mm. wk.
Toonhoogte: a1 = 440 Hz.
Temperatuur: Valotti

Bron: J.C. van Rossum; Jan Jongepier (red.), Het Historische Orgel in Nederland ca 1790-1818. Amsterdam, 1999, 46-47. De Mixtuur, 9 (1973), 166-168.