Leiden, R.-k. Kerk H. Lodewijk
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2006-06 juni]

In augustus 2005 werd het gerestaureerde Mitterreither-orgel van de Lodewijkskerk in Leiden opnieuw in gebruik genomen.
De geschiedenis van dit instrument gaat terug tot ongeveer het midden van de 17de eeuw en begint wellicht in de voormalige Schuilkerk aan de Appelmarkt in Leiden die in 1668 werd geopend. Zeker is in elk geval dat een belangrijk deel van het pijpwerk afkomstig is uit de werkplaats van Hans Wolf Schonat (1614-na 1669) die ook het grote orgel van de Nieuwe Kerk te Amsterdam bouwde.
Afgaande op het nu nog in de Lodewijkskerk aanwezige pijpwerk vervaardigde Schonat wellicht een huisorgel van 4 ½ register met een manuaalomvang van CD-c3. Op enig moment werd dit orgel verbouwd door een lid van de familie Duyschot. Het instrument kreeg in elk geval een nieuwe windlade (omvang C-c3) terwijl ook de dispositie gewijzigd werd. Uit de omvang van de lade zou men kunnen afleiden dat deze werkzaamheden werden uitgevoerd door Andries Duyschot (1675-1752).
In 1769 werd het orgel verbouwd en uitgebreid door Johannes Mitterreither (1733-1800). Hij vervaardigde een geheel nieuw Bovenwerk en wijzigde de dispositie van het reeds aanwezige manuaal. De oude kas, de aanwezige windlade en het oude pijpwerk bleven daarbij bewaard.
In 1807 liep de schuilkerk aan de Appelmarkt grote schade op door de ontploffing van een kruitschip. Twee jaar later konden de katholieken de voormalige kapel van het Sint-Jacobsgasthuis, die na de Reformatie als ‘ Saaihal’ in gebruik was geweest, als bedehuis inrichten. In 1809 werd deze kerk aan de Heilige Lodewijk gewijd.
Het binnenwerk van het orgel uit de schuilkerk aan de Appelmarkt werd overgeplaatst en van een nieuwe kas voorzien. Vermoedelijk bleven de dispositie en de technische aanleg daarbij grotendeels ongewijzigd.
Omstreeks 1825 diende Christian Hagedorn een opgave voor een renovatie van het orgel in, maar deze werd niet uitgevoerd.
In de tweede helft van de 19de eeuw werd (met gebruikmaking van oud materiaal) een Cremona D 8 aan het Hoofdwerk toegevoegd en de Trompet van het Bovenwerk vervangen door een Dulciaan 8.
Ten slotte breidde P.C. Bik in de jaren ’20 of ’30 van de vorige eeuw de manuaalomvang pneumatisch uit tot C-f3. Vermoedelijk is bij deze gelegenheid ook de oorspronkelijke windvoorziening vervangen door een regulateur met een windmotor.
In het kader van een omvangrijke restauratie van het kerkgebouw (1953/58) voerde de firma Jos. Vermeulen een ingrijpende ‘restauratie’ van het orgel uit. Het binnenwerk werd uit de kas van 1810 verwijderd en kreeg een nieuwe plaats in een nis in de noordwand van de nieuwe zijkapel.
Vóór deze nis plaatste men het uit 1806 daterende front van het voormalige Reichner-orgel van de Remonstrantse Kerk te ’s-Gravenhage. Het orgel kreeg een mechanische vrijstaande speeltafel voorzien van grotendeels nieuwe mechanieken. De manuaalomvang werd uitgebreid tot C-g3 en een vrij pedaal werd toegevoegd. Hiervoor paste men elektro-pneumatische kegelladen en een unitsysteem toe. Aan het bestaande Hoofdwerk werd een Mixtuur toegevoegd en het Reichner-front kreeg nieuwe zinken frontpijpen.
Nadat het orgel enkele decennia later onbespeelbaar was geworden, maakte men vanaf eind jaren ’80 van de vorige eeuw plannen voor een nieuwe restauratie. Op 25 februari 2004 kreeg Orgelmakerij Gebr. Reil uiteindelijk de opdracht voor een algehele restauratie die werd begeleid door Ton van Eck en Jos Laus namens de Katholieke Klokken- en Orgelraad, alsmede Rudi van Straten namens de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.
Het oorspronkelijke binnenwerk is uit de nis verwijderd en op de tweede tribune in de orgelkas van 1810 herplaatst, waarbij voor de dispositie de toestand van vóór 1954 als uitgangspunt gold. Hieraan werden een Bourdon 16 (Pedaal) toegevoegd alsmede een ‘speeltafelpositief’.
De kas is opnieuw geschilderd en de houten imitatiepijpen zijn van nieuw tinfolie voorzien. Aan de achterzijde van de kas is een nieuwe klaviatuur aangebracht waarbij de nog aanwezige delen van de oorspronkelijke mechanieken opnieuw zijn gebruikt. Het orgel kreeg een geheel nieuwe windvoorziening bestaande uit twee spaanbalgen. Uit praktische overwegingen is besloten om op de eerste galerij een speeltafelpositief met twee manualen, vier nieuwe registers en een eigen windvoorziening (spaanbalg) aan te brengen. Dit speeltafelpositief is bespeelbaar vanaf Manuaal II; het Hoofdwerk van het Mitterreither-orgel is bespeelbaar vanaf Manuaal I. Daarvoor moet dan wel een ‘blokkeerinrichting’ worden ingeschakeld om te voorkomen dat het mechaniek van het eerste manuaal van de klaviatuur op de tweede tribune ‘meeloopt’.
Het loze Reichnerfront in het transept is eveneens hersteld. In onderstaande dispositie is het pijpwerk in grote lijnen gedateerd.
De dispositie:

Hoofdwerk(Manuaal I, C-c3)
Prestant 8 (C-G 2005, rest Duyschot)
Holpijp 8 (eiken, Schonat)
Fluit travers D 8 (1769)
Octaaf 4 (overwegend Schonat)
Quint B/D 3 (overwegend Schonat)
Octaaf 2 (overwegend Schonat)
Cornet D III (Duyschot)
Cremona D 8 (1769/19de eeuw)
Bovenwerk (Manuaal II, C-c3)
Holpijp 8 (1769, C-E naaldhout)
Viola di Gamba 8 (overwegend 1769)
Fluit 4 (1769, C-h naaldhout, vervolg metaal)
Sesquialter I-II (1769/2005 met pijpwerk van Schonat)
Dulciaan B/D 8 (19de eeuw).
Pedaal (C-f)
Bourdon 16 (2005, grenen).

Manuaal koppel B/D,
Tremulant,
Ventiel.

Speeltafelpositief (Reil, 2005)

Manuaal I (C-d3): C-c3 gekoppeld aan Hoofdwerk Mitterreither-orgel, cis3-d3 gekoppeld aan Manuaal II.
Manuaal II (C-d3)
Holpijp B/D 8 (grenen, deling tussen fis en g)
Prestant D 4 (metaal, vanaf g)
Fluit 4 (C-H grenen, rest metaal)
Woudfluit 2 (metaal).
Pedaal (C-d1 waarvan C-f gecombineerd met Mitterreitherorgel)
Bourdon 16 (grenen)

Manuaalkoppel II aan I, Pedaalkoppel I, Pedaalkoppel II.
Toonhoogte: a1 = 435 Hz bij 16C. Temperatuur: Neidhardt

Bron: Lodewijk in Leiden, geschiedenis van kerk en orgel. Leiden, 2005.
Met dank aan Orgelmakerij Gebr. Reil.