Zutphen, St.-Janskerk
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2004/12 december]


Op zondag 30 mei werd het gerestaureerde orgel van de St.-Janskerk te Zutphen weer in gebruik genomen.
De vroegste geschiedenis van het orgel is in nevelen gehuld, maar gaat in elk geval terug tot 1817.
Op 9 september van dat jaar kreeg de Groningse orgelmaker Johannes Wilhelmus Timpe (1770-1837) de opdracht voor de bouw van een ‘nieuw’orgel in de St.- Jans of Nieuwstadskerk te Zutphen. Uit het bewaard gebleven bestek kan echter worden opgemaakt dat Timpe slechts de grenen orgelkast, de balgenkamer, de beide windladen, de klaviatuur en de mechanieken nieuw zou maken. De drie blaasbalgen waren 15 jaren gebruikt en ook het grootste deel van het pijpwerk was van elders afkomstig.
Volgens opgave van de orgelmaker had dit materiaal gediend in de Doopsgezinde Kerk te Groningen. Alleen de Prestant 8 zou nieuw geleverd worden. De herkomst van dit oude materiaal, dat een aantal facturen laat zien en voor een deel uit de 17de eeuw dateert, is echter nog altijd niet met zekerheid bekend.
Ofschoon het instrument met Pinksteren 1818 voltooid had moeten zijn, kon het orgel pas op 17 december van dat jaar in gebruik genomen worden. De vertraging was waarschijnlijk mede een gevolg van het feit dat er tijdens de bouw van het orgel een aantal veranderingen werd uitgevoerd, ten dele omdat Timpe niet aan het contract had voldaan. Zo diende de orgelmaker (alsnog) een pedaalklavier te leveren en de klaviatuur, die tegen de afspraken in aan de voorzijde was aangebracht, naar de zijkant te verplaatsen. Tenslotte wenste men een eiken orgelkast.
Timpe leverde vervolgens inderdaad een pedaalklavier en verplaatste de klaviatuur naar de linkerzijde. Verder bekleedde hij de gehele orgelkast met een dunne laag eiken, zodat ten minste voor het oog aan de wensen van de opdrachtgevers werd voldaan. De drie bekronende beelden die Timpe uiteindelijk leverde, vielen echter niet erg in de smaak. Al in 1819 gaf men opdracht om ze te repareren en fatsoeneren. In 1850 werden ze voor een gulden per stuk verkocht.
Het orgel bleef gedurende de loop der jaren niet ongewijzigd.
In 1905 verplaatste de firma N.S. Leyser & Zn. het instrument. Tevens leverde men een nieuwe Trompet 8 en verving men de registers Speelfluit 2, Flageolet 1 en Vox Humana 8 van het Onderpositief door een Gamba 8 en een Celeste 8. Tevens bracht men een zwelkast om het Onderpositief aan en werden vrijwel de gehele speel en registermechaniek alsmede de windvoorziening vernieuwd.
In 1950 nam de firma Jos. Vermeulen het orgel onder handen. Op het Onderpositief verwijderde men de registers uit 1905 en herstelde men Speelfluit, Flageolet 1 en Vox Humana; de oude Fluit douce 4 werd verwijderd. Daarnaast voegde men een elektropneumatische pedaallade toe met een drietal stemmen, uitgevoerd als unit.
In 1997 werd het instrument in het kader van een ingrijpende restauratie van het kerkgebouw gedemonteerd en opgeslagen.
De thans voltooide restauratie werd uitgevoerd door Orgelmakerij Gebr. Reil, onder advies van Rudi van Straten.
De orgelkast is voorzien van een nieuw grondraam en op het nieuwe balkon geplaatst. Ontbrekende delen zijn gecompleteerd terwijl tevens nieuwe vleugelstukken (vervaardigd door Marius van Wijk) en bekronende beelden (uit voorraad van de orgelmaker) zijn aangebracht.
Er zijn een nieuwe balgstoel, nieuwe kanalen en twee nieuwe spaanbalgen geplaatst. De detaillering van de balgen is overgenomen van de in het Timpe-orgel (1822) te Middelbert aanwezige originele balgen.
De windladen zijn gerestaureerd en opnieuw ingericht voor de oorspronkelijke dispositie; de nieuwe lade voor het toegevoegde Pedaal is wat betreft detaillering naar voorbeeld van de oude laden vervaardigd.
De nog aanwezige oude delen van klaviatuur en mechanieken zijn gerestaureerd; nieuwere delen zijn vervangen door in stijl uitgevoerde delen. Het pedaalklavier en de orgelbank zijn vervangen.
De registeropschriften zijn vernieuwd naar voorbeeld van het orgel in Middelbert.
Het oude pijpwerk is gerestaureerd en waar nodig verlengd om de oude toonhoogte te herstellen. Later geplaatste pijpen van afwijkende factuur zijn vervangen evenals de niet originele registers die in de loop der jaren waren geplaatst. Voor een aantal registers van het Onderpositief kon Timpe-pijpwerk uit de voormalige Cornet van de Walburgiskerk te Zutphen (1815) worden gebruikt. De nieuwe Vox Humana is gemaakt naar voorbeeld van het orgel in de Hervormde Kerk te Bellingwolde (1797).
De mensuren van het pijpwerk van het nieuwe Pedaal zijn geïnspireerd op de mensuren van het nog aanwezige historische pijpwerk te Zutphen en op die van het Timpe-orgel (1831) in de Nieuwe Kerk te Groningen.

Dispositie:

Hoofdwerk    (Manuaal I, C-f3)
Prestant 8  
Bourdon 16  
Quintadeen 8 C-H nieuw, metaal
Octaaf 4  
Speelfluit 4  
Quint 3  
Octaaf 2  
Mixtuur III-IV één koor uit 1950
Trompet 8 nieuw
Onderpositief    (Manuaal II, C-f3)
Prestant 4 C-Fis nieuw
Holpijp 8 C-H nieuw, metaal
Fluit Travers  8 D  
Fluit Douce 4 12 pijpen 1815, rest nieuw
Speelfluit 2 11 pijpen 1815, rest nieuw
Flageolet 1 24 pijpen 1815, rest nieuw
Vox Humana 8 nieuw
Pedaal   (C-d1)
Subbas 16  
Octaaf 8  
Octaaf 4  
Fagot 16  
Trompet 8  

Koppelingen:
Hoofdwerk-Onderpositief
Pedaal-Hoofdwerk.

Tremulant;
Afsluiters Hoofdwerk, Onderpositief.
Winddruk: 66 mm wk.
Toonhoogte: a1 = 429 Hz bij 18°C.
Temperatuur: Neidhardt 1729.

Bron Orgelmakerij Gebr. Reil