Wormerveer, Hervormde Kerk
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2004/02 februari]

Op 11 april werd de derde fase van de restauratie van het Knipscheer-orgel in de Hervormde Kerk te Wormerveer afgerond. Ruim twintig jaar na de aanvang van de werkzaamheden was daarmee eindelijk de gehele restauratie van het instrument voltooid. De restauratie werd uitgevoerd door Mense Ruiter orgelmakers onder advies van Jan Jongepier.
De bewogen geschiedenis van het instrument gaat terug tot 1846. In dat jaar voltooide de Amsterdamse orgelmaker Hermanus Knipscheer II (1802-1874) een geheel nieuw instrument met de volgende dispositie: 

Manuaal
Bourdon 16
Prestant 8
Roerfluit 8
Octaaf 4
Quint 3
Octaaf 2
Mixtuur III-IV
Cornet D IV
Trompet 8

Bovenwerk
Holpijp 8
Viola di Gamba 8
Prestant D 8
Prestant 4
Dwarsfluit 4
Woudfluit 2
Dulciaan 8

Aangehangen pedaal, manuaalkoppel.

Nadat in de loop der jaren de Woudfluit 2 van het Bovenwerk al was vervangen door een Voix Celeste 8, plaatste Hendrik Wicher Flentrop in 1927 een nagenoeg nieuw pneumatisch orgel in de oude (verdiepte) kast, waarin enig oud pijpwerk was opgenomen. Ook in deze vorm werd het orgel geen rust gegund. Omstreeks 1950 werd de windvoorziening vernieuwd en ongeveer tien jaar later vond een kleine dispositiewijzigingen plaats.
In het kader van een algehele restauratie van het kerkgebouw kreeg D.A. Flentrop in 1970 de opdracht voor de reconstructie van het oorspronkelijke Hoofdwerk. Willem Talsma zou daarbij als adviseur optreden. Deze opdracht werd uiteindelijk echter niet uitgevoerd, maar leidde wel tot een wat merkwaardige splitsing van het instrument. De lade van Manuaal I, met daarop enig pijpwerk, werd achter het front gelegd maar niet aangesloten. Windlade en pijpwerk van Manuaal II werden in een noodopstelling op de galerij geplaatst en aangesloten op de speeltafel uit 1927. Daarnaast werd de voorheen in houtimitatie geschilderde kast roomwit overgeschilderd. In deze vorm functioneerde het instrument nog ruim tien jaar.
In 1983 voltooide Mense Ruiter de eerste fase van de reconstructie van de toestand van 1846. De orgelkast werd tot de oorspronkelijke afmetingen teruggebracht. Uit de beschildering van de nog bewaarde pijpen van de Bourdon 16 kon de oorspronkelijke indeling van de lade worden afgeleid. Op basis daarvan vervaardigde men een nieuwe windlade voor het Hoofdwerk. Het Bovenwerk werd nog niet gereconstrueerd. De nieuwe klaviatuur werd gemaakt naar voorbeeld van het Knipscheer-orgel in de Hervormde Kerk te Oostzaan (1859). De nieuwe mechanieken en overige detailleringen werden daarnaast ontleend aan het orgel in de Hervormde Kerk te Muiden. De dispositie luidde sindsdien als volgt: 

Manuaal
Bourdon B/D 16
Prestant Dd 8
Roerfluit 8
Octaaf 4
Fluit 4
Octaaf 2
Mixtuur B/D III-IV
Cornet D IV
Trompet B/D 8 (gereserveerd)

Aangehangen pedaal

In 1990 kon de tweede fase worden afgerond. Deze fase bestond in grote lijnen uit het plaatsen van een nieuwe windlade met bijbehorende mechanieken en pijpwerk voor het Bovenwerk. Tevens verving men de Fluit 4 van het Hoofdwerk door een nieuwe Quint 3. Voor de Holpijp 8 van het Bovenwerk werd deels gebruik gemaakt van Knipscheerpijpwerk (circa 1845) dat afkomstig was uit het orgel van de Westerkerk te Amsterdam. Vervolgens werden in 1995 de frontpijpen hersteld. Bij de thans voltooide laatste fase is de uit de jaren 50 daterende schwimmerbalg vervangen door een gebruikte magazijnbalg en zijn de beide gereserveerde tongwerken geplaatst. De nu geplaatste balg is afkomstig van het voormalige Maarschalkerweerd-orgel uit de Hervormde Kerk te Geervliet (1905); de bestaande kanalen zijn aan deze nieuwe situatie aangepast.

Hoofdwerk (Manuaal I, C-f3)
Bourdon B/D 16 (1846, deling tussen d en dis) Prestant Dd 8 (1846, dubbelkoor 1983)
Roerfluit 8 (1983)
Octaaf 4 (1846)
Quint 3 (1990)
Octaaf 2 (1846)
Mixtuur B/D III-IV (bas 1846, discant 1983)
Cornet D IV (grotendeels 1846)
Trompet B/D 8 (2003)

Bovenwerk (Manuaal II, C-f3)
Bourdon 8 (circa 1845)
Viool di Gamba 8 (1990)
Prestant D 8 (1990)
Octaaf 4 (1990)
Dwarsfluit 4 (1990)
Gemshoorn 2 (1990)
Dulciaan 8 (2003)

Aangehangen pedaal (C-d1)

Manuaalkoppel, tremulant. Winddruk: 72 mm wk. Toonhoogte: a1 = 440 Hz. Temperatuur: evenredig zwevend. 

Bron: Mense Ruiter orgelmakers, Jan Jongepier, en Peter van Dijk (red.), Het Historische Orgel in Nederland 1840-1849. Amsterdam, 2002, 298-300.