Aurich, Evangelisch-reformierte Kirche
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2003/11 november]

Op zondag 17 mei 2003 werd het Janssen/Van der Putten-orgel in Evangelisch-reformierte Kirche te Aurich officieel in gebruik genomen, met onder andere een bespeling door adviseur Harald Vogel. Het instrument werd oorspronkelijk in 1838 vervaardigd als eerste nieuwbouwproject van de uit Esens afkomstige orgelmaker Gerd Sieben Janssen, die zich drie jaar tevoren had gevestigd in Aurich. Het orgel kreeg een Manuaal (acht registers) en een Pedaal met twee registers. Janssen bracht in de jaren daarna nog zelf twee wijzigingen aan: in 1846 verving hij de Mixtuur door een betere en twee jaar daarna breidde hij het Pedaal uit met een Super-Oktave 4. In 1938/1939 werd het instrument zo grondig verbouwd en vergroot door de firma Emil Hammer (Hannover) dat feitelijk een nieuw orgel ontstond, waarbij van Janssen alleen nog het opmerkelijke front, de windladen en nog geen veertig pijpen resteerden. Het instrument had sindsdien een Hoofdwerk (vijf registers), Bovenwerk (vijf registers) en Pedaal (vier stemmen). De registers van het nieuwe Bovenwerk waren door Hammer geplaatst op een gebruikte sleepwindlade. De tractuur was geheel nieuw: voor het Hoofdwerk mechanisch, voor de beide andere werken pneumatisch. De drie keilbalgen waren vervangen door een grote magazijnbalg. 
In een regio met zoveel goed gerestaureerde instrumenten moest het oordeel over het instrument van Hammer wel steeds negatiever uitpakken en zo werd uiteindelijk besloten tot een reconstructieve nieuwbouw naar de toestand van 1838, met handhaving van een tweede manuaal. De opdracht werd verleend aan Orgelmakerij Van der Putten (Finsterwolde), welke in 2000 het Janssen-orgel in Tergast met succes had gerestaureerd en met het oog daarop elders bewaard gebleven werk van Janssen uitgebreid had bestudeerd. Het Hoofdwerk van het orgel in Aurich werd zo nauwkeurig mogelijk gereconstrueerd in de toestand van 1838; Nevenwerk en Pedaal werden in Janssen-stijl nieuw vervaardigd, met gebruikmaking van de originele pedaallade en enig oud pijpwerk. Voor de reconstructie van het verloren gegane materiaal alsmede voor de nieuwe toevoegingen (pijpwerk, klaviatuur, tracturen, etc.) werd gebruik gemaakt van voorbeelden uit de Janssen-orgels in Tergast (18450), Eggelingen (1846) en Asel (1856). Jürgen Ahrend stelde een aantal Doppelflöte-pijpen van Janssen beschikbaar, afkomstig uit het Grotian-orgel te Pilsum. De windlades van Janssen werden gerestaureerd, terwijl voor het Nebenwerk een nieuwe lade in de stijl van Janssen werd vervaardigd. Om financiële redenen bleef de Salicional uit 1939 gehandhaafd. De windvoorziening werd vernieuwd met gebruikmaking van de aanwezige magazijnbalg, welke werd voorzien van een voorbalg.
Huidige dispositie:
Hauptwerk (C-f3): Principal 8, Flauto traverso 8, Gedackt 8, Gamba 8 (bas en discant), Octave 4, Octave 2, Mixtur 3 fach (2), Trompete 8 (bas en discant). Nebenwerk (C-f3): Salicional 8 (1939), Doppelflöte 8, Gedackt Flöte 4, Flöte 2, Sesquialtera 2 fach , Dulcian 8. Pedal (C-d1): Sub-Bass 16, Violon-Bass 8, Super-Octave 4, Fagott-Bass 16. Koppelingen: Hauptwerk-Pedal. Nebenwerk-Hauptwerk. Winddruk: 55 mm wk. Toonhoogte: a1 = 440 Hz. Temperatuur: ‘modifiziert gleichschwebend’.
Ter gelegenheid van de ingebruikneming ‘verscheen onder de titel ‘Orgelstadt Aurich’ een uitgebreid Festschrift over Janssen, zijn werk als orgelmaker en het orgelbezit van Aurich
Bron: Victor Timmer

Voor een zwart-wit-afbeelding zie: http://synodalrat5.reformiert.de/Gemeinden/Aurich/