Krimpen aan den IJssel, Rehobothkerk
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2003/1, januari]


Op vrijdag 29 november werd het nieuwe orgel van de Rehobothkerk (Hervormde Buitengewone Wijkgemeente) te Krimpen aan den IJssel in gebruik genomen. Het instrument werd in 1974 door H. Strubbe (Vinkeveen) gebouwd voor de Gereformeerde Gemeente van Tholen; als adviseur trad Simon C. Jansen op. Bij de bouw van het instrument maakte Strubbe gebruik van een windlade en pijpwerk uit het voormalige Maarschalkerweerd-orgel (1873) van de R.-K. Johannes de Doperkerk te Wijk bij Duurstede. Het orgel te Tholen had bij oplevering de volgende dispositie: Hoofdwerk: Prestant 8, Roerfluit 8, Spitsgamba 8, Octaaf 4, Ged. Fluit 4, Octaaf 2, Mixtuur III-IV, Trompet 8. Borstwerk: Holpijp 8, Roerfluit 4, Nasard 2 2/3, Prestant 2, Terts 1 3/5, Sifflet 1, Regaal 8 (gereserveerd), Tremulant. Pedaal (C-d1): Subbas 16, Prestant 8 (gereserveerd), Gedekt 8, Octaaf 4. 
In 1987 werd het instrument herzien door orgelmaker Piet Huijser (Sint Maartensdijk) onder advies van J. Milhous en P.J. Wols. Het orgel kreeg een nieuwe windvoorziening, nieuwe mechanieken, een nieuwe klaviatuur alsmede nieuwe slepen en stokken. Verder werd de Bourdon 16 van het Pedaal wijder gemaakt door het tussenvoegen van enkele pijpen en kreeg het Borstwerk een Kromhoorn 8 op de gereserveerde plaats. Aansluitend volgde een ingrijpende herintonatie.

Omdat men in Tholen tot de bouw van een nieuw kerkgebouw had besloten, werd het bestaande instrument te koop aangeboden. Uiteindelijk kreeg het orgel een nieuwe bestemming in de Rehobothkerk te Krimpen aan den IJssel. De 
overplaatsing werd uitgevoerd door Orgelmakerij Sicco Steendam; als adviseur trad Wim Diepenhorst op. Bij deze gelegenheid is allereerst het front gewijzigd door het opnieuw indelen van de pijpvelden en het aanbrengen van rechte 
kappen boven de torens en nieuw 'snijwerk'. Daarna werd het orgel geschilderd in de kleuren die verder ook in het kerkgebouw zijn toegepast. Ook de dispositie bleef niet ongewijzigd. Op het Borstwerk werd de Prestant 2 vervangen door een Woudfluit 2 en verving men de discant van de Roerfluit 4 door cilindrische open pijpen; daarnaast verving men de Kromhoorn 8 door een Dulciaan 8. Op het Hoofdwerk werd de samenstelling van de Mixtuur gewijzigd en verving men de 
Trompet 8 door een nieuw exemplaar. Tenslotte werd het orgel opnieuw geļntoneerd.
De dispositie: Hoofdwerk (Manuaal I, C-f3): Prestant 8, Roerfluit 8, Spitsgamba 8, Octaaf 4, Gedekte Fluit 4, Octaaf 2, Mixtuur II-IV, Trompet 8. Borstwerk (Manuaal II, C-f3): Holpijp 8, Roerfluit 4, Nasard 2 2/3, Woudfluit 2, Terts 1 3/5, Sifflet 1, Dulciaan 8, Tremulant. Pedaal (C-d1): Subbas 16, Gedekt 8, Octaaf 4. 
Koppelingen Hoofdwerk-Borstwerk, Pedaal-Hoofdwerk, Pedaal-Borstwerk. 
Winddruk: Hoofdwerk en Pedaal 77 mm wk., Borstwerk 70 mm wk. 
Toonhoogte: a1 = 438 Hz bij 20 §C. Temperatuur: evenredig zwevend. 
Bron: De Mixtuur 59 (1988), 426-427; Wim Diepenhorst