Eijsden-Mesch, R.-K. St.-Pancratiuskerk
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2002/11, november]

Aan het einde van de 19de eeuw beschikte de parochiekerk van Mesch-Eijsden een orgel van onbekende herkomst en makelij. Dit instrument was geruime tijd in onderhoud bij de Maastrichtse orgelmakers Pereboom & Leijser. Zij voorzagen het instrument in 1871 van een nieuwe blaasbalg en voerden vier jaar later nog herstelwerkzaamheden uit. De bouwkundige toestand van de kerk werd in de daaropvolgende jaren echter zo slecht dat men zich in 1888 genoodzaakt zag het instrument te demonteren. De orgelpijpen werden opgeslagen en de orgelkast diende enige tijd als kippenhok. In 1889 herplaatsten Pereboom & Leijser het orgel en mogelijk leverden zij bij die gelegenheid een nieuw front.
De slechte toestand van het kerkgebouw leidde uiteindelijk echter toch tot de ondergang van dit orgel, en in 1903 besloot het kerkbestuur tot de aankoop van een nieuw instrument. Dit orgel werd geleverd door de firma P.J. Vermeulen & Zoon (Weert) en kostte 850 gulden. Het oude instrument werd voor 200 gulden door Vermeulen ingenomen. In dit verband is het interessant dat uit de aantekeningen in het parochiearchief kan worden opgemaakt dat Vermeulen voor het nieuwe orgel gebruik maakte van een oude orgelkast. Tot op heden is niet duidelijk of deze kast uit de werkplaats van Vermeulen afkomstig is, of dat het wellicht toch de oude orgelkast van Mesch betreft. Verder mag uit de factuur van de windlade worden afgeleid dat deze van Pereboom & Leijser afkomstig is, zodat kan worden aangenomen dat dit nog de oude lade van Mesch is.
In 1944 vonden niet nader omschreven werkzaamheden aan het orgel plaats. In 1968 voerde de firma L. Verschueren c.v. uitgebreide herstelwerkzaamheden aan het orgel uit. Het instrument werd naar achteren verplaatst en de bestaande magazijnbalg vervangen door een kleinere regulateur met enkele vouw. Verder werd de windlade van telescoophulzen voorzien; daarnaast leverde men nieuwe flexibele conducten en kunststof beleg voor de ondertoetsen van het handklavier.
Dit voorjaar voerde Verschueren Orgelbouw een algehele restauratie uit. Namens de KKOR trad Marcel Verheggen op als adviseur, terwijl namens de Rijksdienst voor de Monumentenzorg Rudi van Straten bij het project betrokken was. De orgelkast, de mechanieken en de windvoorziening zijn schoongemaakt en hersteld. De flexibele conducten zijn vervangen door loden exemplaren en de windlade is schoongemaakt en opnieuw uitgegoten. Tevens zijn de telescoophulzen verwijderd en is de ondersteuning van de lade verbeterd. De messing draden en stiften zijn vernieuwd, evenals de pulpeten en de onderlat waarin de ventielveren geplaatst zijn. Tenslotte is het pijpwerk gereinigd en hersteld, waarna de intonatie is ge‰galiseerd. Op dit moment wordt nog gewerkt aan de invulling van de van origine lege sleep van de Clarinet 8. Op deze plaats zal een nieuwe Labiaal-Clarinet (vanaf c) worden geplaatst, gemaakt naar voorbeeld van het Verschueren-orgel in de R.-K. St.-Petruskerk te Gulpen (1929).
De dispositie: Manuaal (C-g3): Prestant 8 (C-H zachthouten open pijpen, overige pijpen van metaal met expressions), Bourdon 8 (C-H zachthout, vervolg metaal), Viola 8 (C-Dis zachthout met rolbaarden, E-H metaal met expressions, vervolg zink met expressions), Salicional 8 (C-H gecombineerd met Bourdon 8, vervolg zink met expressions), Prestant 4 (C-H in het front 19de-eeuws, vervolg op de lade, circa 1900), Fluit 4 (metaal, C-h gedekt, vervolg open), Quint 3 (metaal, C-b gedekt, vervolg conisch open), Octaaf 2 (metaal), Clarinet 8 (nieuw, labiaal). Aangehangen pedaal (C-g). Winddruk: 57 mm wk. Toonhoogte a1 = 437 Hz bij 15 §C. Temperatuur: evenredig zwevend. 
Bron: Marcel Verheggen