Amsterdam, Oosterkerk
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2002/10, oktober]

Sinds 1817 beschikte de Amsterdamse Oosterkerk over een orgel van Hermanus Knipscheer sr. In 1899 besloot men echter om dit instrument te vervangen door het in 1871 voltooide Van Oeckelen-orgel van de inmiddels gesloten Nieuwezijds Kapel. De overplaatsing van dit orgel werd uitgevoerd door J.F. Witte. Bij deze gelegenheid werd de kast aan de achterzijde gewijzigd en vonden kleine aanpassingen in de windvoorziening plaats.
Sindsdien bleef het orgel niet geheel onaangetast. Oorspronkelijk voorzagen zes spaanbalgen het orgel van de nodige wind: drie voor het pedaal en drie voor de manualen. Op enig moment zijn de drie balgen voor het pedaal afgekoppeld, en is van de andere drie de laagste balg verwijderd om plaats te maken voor een windmachine. Mogelijk is bij deze werkzaamheden ook de oorspronkelijke inliggende tremulant van het Bovenwerk vervangen door een pneumatisch exemplaar. Verder werd tijdens de restauratie van het kerkgebouw (1974) een aantal pijpen ontvreemd. Deze zijn in 1979 door Flentrop Orgelbouw aangevuld. Vier jaar later, na afronding van de werkzaamheden aan het kerkgebouw, werd het front schoongemaakt. Tenslotte vernieuwde de firma Adema-Schreurs de toetsen van het pedaalklavier. De nieuwe toetsen werden gemaakt naar het oude model, en ook het oude raam bleef gehandhaafd. Het is vooralsnog niet duidelijk wanneer de doorslaande Klarinet 8 (Bovenwerk) opslaand gemaakt werd.
Geruime tijd geleden werd de Oosterkerk gesloten voor de eredienst. Sinds 1983 heeft het gebouw een nieuwe bestemming als cultureel centrum/kantoorruimte voor maatschappelijke instellingen. Het kerkgebouw is eigendom van de Gemeente Amsterdam, maar wordt beheerd door Stichting Oosterkerk. Deze stichting gaf ook de aanzet voor de thans voltooide restauratie, waarna aan de firma's Adema-Schreurs en Flentrop offerte gevraagd werd. In het verlengde van de Stichting Oosterkerk werd de Stichting Van Oeckelen-orgel opgericht, met als doel fondsen te werven voor de restauratie, en uiteindelijk de verantwoording voor het onderhoud en het gebruik van het gerestaureerde orgel op zich te nemen. Uiteindelijk kreeg Flentrop Orgelbouw in oktober 1999 de opdracht om het orgel te restaureren. Als adviseurs traden Rudi van Straten en Henk Verhoef op.
Bij de jongste restauratie is de orgelkast schoongemaakt en hersteld, waarbij ontbrekende panelen en snijwerk zijn bijgemaakt. De vijf ornamenten, die bij demontage werden gevonden, bleken oorspronkelijk op de middentoren te hebben gestaan en zijn herplaatst. De klaviatuur is schoongemaakt en, waar nodig, hersteld. Ook de mechanieken zijn hersteld waarbij het roodkoperen draadwerk is vervangen door messing.
Meer ingrijpend waren de werkzaamheden aan de windvoorziening en de windladen. De vijf bewaard gebleven balgen en de regulateurs zijn opnieuw beleerd en waar nodig hersteld. De zesde balg is gereconstrueerd, echter zonder gebruik te maken van de bewaarde fragmenten van de oude balg. Ook de treden zijn hersteld. Thans voorziet de windmotor de twee onderste balgen van wind; de tweede balg aan de oostzijde loopt mee. Daartoe is het uitlaatventiel van deze balg voorzien van koordjes waarmee het open blijft staan; als de balgen worden getreden moeten deze worden losgehaakt. De kanalen zijn hersteld en waar nodig gereconstrueerd. De niet originele tremulant voor het Bovenwerk is verwijderd, waarna de oorspronkelijke inliggende tremulant is gereconstrueerd. De windladen zijn gedemonteerd, waarna alle scheuren zijn gedicht, en de cancellen de hoeken beleerd; ook de onderzijde van de lade is geheel beleerd. Ten slotte zijn zaagsneden, trekvrije platen en ringen aangebracht.
Het pijpwerk is in principe ongewijzigd gebleven. Wel zijn hier en daar bovenranden en voeten hersteld. Te grof ingesneden stemslitsen in de tongwerkbekers zijn dichtgesoldeerd en vervangen door kleinere expressions. Tenslotte werd de Klarinet 8, weer doorslaand gemaakt.
De dispositie: Hoofdwerk, (Manuaal I, C-f3): Prestant 16 (C-gis1 in het front, vervolg op de lade), Bourdon 16 (C-h eiken, vervolg metaal), Prestant 8 (C-gis in het front, vervolg op de lade), Roerfluit 8 (C-H gedekt, eiken, vervolg metaal met uitwendige roeren), Octaaf 4, Roerfluit 4, Quint 3, Octaaf 2, Terts [1 3/5], Mixtuur VI, Cornet D V, Trompet B/D 16, Trompet B/D 8. Bovenwerk (Manuaal II, C-f3): Prestant 8 (C-gis in het front), Baardpijp 8 (conisch), Viola di Gamba 8, Quintadena 8, Octaaf 4, Openfluit 4, Nasart 3 (conisch), Gemshoorn 2 (conisch), Klarinet 8 (doorslaand). Pedaal (C-d1): Subbas 16 (open, C-H grenen, rest eiken), Holfluit 8 (eiken). Koppelingen Hoofdwerk-Bovenwerk, Pedaal-Hoofdwerk, Pedaal-Bovenwerk, Afsluitingen Hoofdwerk, Bovenwerk, Pedaal, vulstemmen en tongwerken (HW) af (te bedienen met een trede). Tremulant Bovenwerk, Ventiel, Calcant. Winddruk: 80 mm wk. Toonhoogte: a1 = 435 Hz. Temperatuur: evenredig zwevend. 
Bron: Henk Verhoef