Aalst-Waalre, Hervormde Agnus Dei-kerk
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2002/09, september]

In 1975 leverde Flentrop Orgelbouw een viervoets positief aan de Hervormde Agnus Dei-kerk te Aalst-Waalre. Dit instrument was een jaar eerder voltooid, en deed aanvankelijk dienst als tijdelijk orgel in de Hervormde kerk te Kloetinge. 
De dispositie van 1974 luidde als volgt: Manuaal (C-g3): Holpijp B/D 8, Prestant 4, Roerfluit B/D 4, Quint D 2 2/3, Octaaf 2, Terts B/D 1 3/5, Mixtuur III. Pedaal (C-d1) aangehangen. Bij de plaatsing te Aalst-Waalre, onder advies van Jan Jongepier, werd de Terts B 1 3/5 verschoven tot Quint B 1 1/3.
Omstreeks 1999 wenste men het orgel uit te breiden met een tweede manuaal en een vrij pedaal; ook zag men graag een tongwerk in de dispositie. Voor advies over de mogelijkheden om het orgel in deze zin uit te breiden, wendde men zich opnieuw tot Jan Jongepier. Deze ontwikkelde een plan dat uiteindelijk door Flentrop Orgelbouw werd gerealiseerd. 
De dispositie van het bestaande instrument is gewijzigd. Daarnaast zijn een Rugpositief en een vrij Pedaal toegevoegd, evenals een manuaalkoppel, een wisselkoppel voor het pedaal, en een tremulant. Ten behoeve van de uitbreiding is een eiken draagconstructie gemaakt waarin zich de windlade van het Pedaal met bijbehorende mechanieken, het walsbord en de winkelhaakregels van het Rugpositief en de (liggende) eiken pijpen voor C-d van de Gedekt 8 (RP). Op het ene uiteinde van deze constructie is de kast van het Rugpositief geplaatst, terwijl op het andere uiteinde de vervoerstok voor de eiken pijpen C-H van de Bourdon 16 is aangebracht. Het bestaande orgel, thans Hoofdwerk, is in zijn geheel op deze nieuwe constructie geplaatst waarna de noodzakelijke verbindingen zijn aangebracht. Om de uitgebreidere mechanieken te kunnen plaatsen zijn de balg en de windmachine uit de onderkast gehaald en naast het orgel opgesteld.

De bestaande Mixtuur III van het ‘Hoofdwerk’ is vervangen door een Kromhoorn 8 in zuidelijke factuur, vanwege het feit dat de ventielkast van deze lade aan de voorzijde is gesitueerd. Daarnaast is de Terts D 1 3/5 verschoven tot Quint D 1 1/3, om toch nog een bescheiden plenumklank te behouden. De registers van het Rugpositief zijn als schuifregisters in de achterwand van de bijbehorende kast aangebracht. De wisselkoppel voor het Pedaal wordt door één register bediend, en kent drie standen: respectievelijk koppel aan I, ongekoppeld pedaal, koppel aan II. Voor het Rugpositief werd gebruik gemaakt van pijpwerk uit de oude Mixtuur (Sexquialter en discant Prestant 4), alsmede pijpwerk uit voorraad van de orgelmaker (Nachthoorn 2, Flentrop circa 1955). Het aldus vernieuwde en uitgebreide orgel kon op 20 april in gebruik genomen worden.
De dispositie: Hoofdwerk (Manuaal II, C-g3): Holpijp B/D 8, Prestant 4, Roerfluit B/D 4, Quint D 2 2/3, Octaaf 2, Quint B/D 1 1/3, Kromhoorn 8 (nieuw). Rugpositief (Manuaal I, C-g3): Gedekt 8 (nieuw, C-d hout, vervolg metaal), Prestant 4 (metaal, C-E gedekt, F-h front), Nachthoorn 2, Sexquialter II-III. Pedaal (C-d1): Bourdon 16 (nieuw, C-H eiken, c-d1 gecombineerd met Gedekt 8). Manuaalkoppel, wisselkoppel Pedaal, tremulant. Winddruk: 65 mm. wk. Toonhoogte: a1 = 440 Hz. Temperatuur: Werckmeister III. 
Bron: Jan Jongepier