Bremen (D), Dom
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2002/05, mei]

Tijdens een feestelijke kerkdienst op 2 februari jongstleden, werd het nieuwe koororgel van de Dom in Bremen in gebruik genomen. De bouw van dit instrument werd mogelijk gemaakt door de Jacobs-Stichting die zich ten doel stelde een passend orgel te verwerven ter opluistering van de vele kerkdiensten in het koor. Het grote Sauer-orgel (1894) op de Westtribune en het Van Vulpen-orgel (1966) in het Noordertransept bleken vanwege de grote afstand moeilijk in staat om deze diensten te ondersteunen, terwijl de beide andere orgels (Silbermann en Klop) zich in de beide crypten bevinden.  
Het nieuwe orgel, gebouwd door de firma Kristian Wegscheider (Dresden), kreeg een plaats aan de noordzijde van het altaar. De intensieve kleuren van de 19de-eeuwse inrichting van het koor werden door Hilke Frach-Renner (Dresden) op een passende wijze in de kleurstelling van het orgel overgenomen. De onderkast biedt plaats aan de windmotor en een kleine spaanbalg. Het handklavier is uitgevoerd als staartklavier en de mechaniek is direct aangehangen. De ondertoetsen zijn belegd met been, de boventoetsen zijn van ebben. Het pedaalklavier is van eiken. De registerknoppen zijn in twee verticale rijen, aan weerszijden van de klaviatuur, aangebracht. Bij de intonatie orienteerde men zich op de Midden-Duitse orgelbouw van de late 18de en de vroege 19de eeuw

De dispositie: Manuaal (C-f3): Principal 8 (D-gis in het front), Bordun 16 (C-F eiken, rest metaal), Viola di Gamba 8 (D-dis in het front), Gedackt 8 (geheel metaal), Octave 4, Rohrflöte 4, Nasat 3, Superoctave 2, Mixtur III, Tremulant. Pedaal (C-d): Subbas 16 (gecombineerd met Bourdon 16). Pedaalkoppel. Toonhoogte: a1 = 440 Hz bij 15 ºC. Temperatuur: F-C-G-D,A-E-H-Fis 1/6 komma kleiner, D-A, Fis-Cis-Gis-Es-B-F rein.

Bron: Wolfgang Baumgratz