Emmeloord, Moriakerk
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2002/05, mei]

Op 8 december van het vorig jaar werd het ‘nieuwe’ orgel van de Moriakerk te Emmeloord in gebruik genomen. De zeer bewogen geschiedenis van dit instrument gaat terug tot 1884 toen de Leidse orgelmaker Jan van Gelder (1846-1895) een nieuw orgel leverde voor de Hervormde Kerk te Zwijndrecht. Dit instrument had bij oplevering de volgende dispositie: Hoofdwerk: Bourdon 16, Prestant 8, Holpijp 8, Octaaf 4, Open Fluit 4, Picolo 2. Bovenwerk: Bourdon 8, Salicionaal 8, Gemshoorn 4. Aangehangen pedaal. Op de lade van het Hoofdwerk waren nog drie vrije slepen aanwezig; de lade van het Bovenwerk telde maarliefst vier vrije plaatsen.  
In 1901 voegde de orgelmaker J.J. van den Bijlaard (Dordrecht) drie stemmen aan het Bovenwerk toe: Viool Prestant 8, Viola di Gamba 8 en Aeoline 8. Vermoedelijk plaatste hij bij die gelegenheid de reeds aanwezige Salicionaal 8 op een kantsleep. Twaalf jaar later completeerde de Rotterdamse orgelmaker Standaart het Hoofdwerk met de registers Cornet D V, Mixtuur III-IV en Trompet 8.  
In 1959 kreeg het binnenwerk van dit orgel een nieuwe bestemming in de Christelijk Gereformeerde Kerk te Alphen aan de Rijn. De overplaatsing werd uitgevoerd door de firma Verweys, die bij deze gelegenheid het Bovenwerk met een Quintfluit 3 verrijkte. Vermoedelijk ging bij deze gelegenheid de Aeoline van Van den Bijlaardt verloren. In 1977 voerde Slooff Orgelbouw een algehele restauratie uit, waarbij ook de dispositie van het instrument werd gewijzigd en uitgebreid. Daarvoor gebruikte men pijpwerk uit het voormalige orgel van de Oosterkerk te Leiden (Van Dam 1901). Op het Bovenwerk voegde men de registers Roerfluit 4, Octaaf 2 en Clarinet 8 toe ten koste van de Viool Prestant 8 van Van den Bijlaardt. Op het Hoofdwerk plaatste men een ‘nieuwe’ Bourdon 16; de oude Bourdon van Van Gelder verhuisde als Subbas 16 naar het Pedaal.  
In 1997 werd het orgel aangekocht door de Gereformeerde Gemeente te Emmeloord, die vervolgens aan de firma A. Nijsse & Zoon opdracht gaf het instrument te restaureren en van een passende kast te voorzien. Daarbij koos men de oorspronkelijke kast van Zwijndrecht als voorbeeld. Vanwege de geringere beschikbare hoogte van het kerkgebouw is de nieuwe kast echter iets lager dan de oorspronkelijke en is de magazijnbalg achter het orgel geplaatst. Het snijwerk voor de nieuwe kast is vervaardigd door Aran Gambarian. De frontpijpen zijn in Van Gelder-factuur vernieuwd. Voor het Pedaal zijn twee nieuwe (eiken) windladen gemaakt, één voor de Subbas 16 en één voor de nieuwe Open Fluit 8 en de nieuwe Bazuin 16. Tevens is een koppeling Pedaal-Bovenwerk toegevoegd. Tenslotte is de uit 1959 daterende Quintfluit 3 opnieuw geïntoneerd en ingepast in het klankbeeld van de op het Bovenwerk aanwezige Van Dam-registers.

De dispositie: Hoofdwerk (Manuaal I, C-f3): Bourdon 16 (Van Dam), Prestant 8 (front nieuw), Holpijp 8, Octaaf 4, Open Fluit 4, Picolo 2, Cornet D V (1913), Mixtuur III-IV (1913), Trompet 8 (1913). Bovenwerk (Manuaal II, C-f3): Salicionaal 8 (front nieuw), Bourdon 8, Viola di Gamba 8 (Van den Bijlaardt), Gemshoorn 4, Roerfluit 4 (Van Dam), Quintfluit 3 (1959), Octaaf 2 (Van Dam), Clarinet 8 (Van Dam), Tremulant. Pedaal (C-d1): Subbas 16, Open Fluit 8 (nieuw), Bazuin 16 (nieuw). Koppelingen: HW-BW, Ped-HW, Ped-BW (nieuw). Winddruk: 82 mm wk. Toonhoogte: a1 = 435 Hz. Temperatuur: evenredig zwevend.

Bron: René Nijsse