Berkel en Rodenrijs, Onze Lieve Vrouwe Geboortekerk
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2001/07-08, juli/augustus]

Op 4 april werd het gereconstrueerde Vollebregt-orgel in de parochiekerk van Berkel en Rodenrijs in gebruik genomen. Het instrument werd oorspronkelijk gebouwd door Jacobus Johannes Vollebregt en op 26 november 1873 in gebruik genomen, en is daarmee een van de weinige instrumenten van diens hand. Om meer ruimte op het oxaal te creeren werd het orgel in 1893 naar achteren verplaatst en de klaviatuur aan de zijkant aangebracht. Wie voor deze ingreep verantwoordelijk was kon (nog) niet worden achterhaald. Nadat de kerk in 1925 met twee zijbeuken was vergroot, nam men het orgel opnieuw onder handen. De firma Standaart (Rotterdam) vervaardigde een nieuw zinken front en voegde een twee stemmen tellend vrij pedaal toe. Uiteindelijk leverde P.C. Bik in 1942 een geheel nieuw pneumatisch instrument in een nieuwe kast, waarbij slechts het oude pijpwerk en een deel van de windvoorziening opnieuw werden gebruikt. Nadat sinds begin jaren 1970 de toestand van het orgel langzaam maar zeker achteruit ging besloot het kerkbestuur in 1997 tot algehele reconstructie van het Vollebregt-orgel die uiteindelijk werd uitgevoerd door Flentrop Orgelbouw. Als adviseur namens de KKOR trad Ton van Eck op.

De nieuwe onderkast is uitgevoerd in grenen; de bovenkast en de frontpijpen zijn afkomstig van het Standaart-orgel (1914) van de voormalige Gereformeerde kerk aan de Vinkenstraat in Zaandam. Enkele sierelementen (leeuwenkoppen en rozetten) uit de bestaande fašade zijn in de nieuwe kast gebruikt, zij het dat deze elementen nu van bladgoud zijn voorzien. De windladen zijn geheel van eiken vervaardigd, met uitzondering van de ventielen. Deze zijn van Amerikaans naaldhout, teneinde kromtrekken uit te sluiten. De bestaande magazijnbalg (mogelijk daterend uit 1925) is opnieuw beleerd; de nieuwe kanalen zijn van massief grenen.

De bakstukken en handklavieren zijn van eiken, met ebben boventoetsen en met beleg van been op de ondertoetsen. Het pedaalklavier en de orgelbank zijn van eiken. De registerknoppen zijn gemaakt van ebbenhout; op de loden registerplaatjes zijn de namen van de registers in gouden letters aangebracht.

Het pijpwerk van Vollebregt bleef, met uitzondering van het front en de Trompet 8 nagenoeg geheel bewaard. De nieuwe Trompet B/D 8 is vervaardigd naar voorbeeld van het orgel in Geertruidenberg, Hervormde Kerk (1861). Omwille van de grotere klavieromvang is het pijpwerk voor de tonen fis3 en g3 uit 1942 gehandhaafd. De beide registers van het pedaal zijn uitgevoerd als transmissie van het Hoofdwerk.

De dispositie: Hoofdwerk (Manuaal I, C-g3): Bourdon 16, Prestant 8 (C-dis' in het front, 1914), Holpijp 8 (C-H eiken), Ocaaf 4, Gedekte Fluit 4, Quint 3, Octaaf 2, Mixtuur III, Trompet B/D 8 (nieuw). Positief (Manuaal II, C-g3): Prestant 8 (C-H in Holpijp), Holpijp 8 (C-H eiken), Viola di Gamba 8, Fluit travers D 8 (nieuw), Saliset 4, Roerfluit 4, Gemshoorn 2. Pedaal (C-f1): Subbas 16, Prestant 8. Koppelingen: HW-Pos, Ped-HW, Ped-Pos. Winddruk: 68 mm. wk. Toonhoogte: a1 = 440 bij 18 ░C. Temperatuur: evenredig zwevend.

Bron: Ton van Eck en Flentrop Orgelbouw