Delft, Waalse Kerk
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2001/01, januari ]

Op 11 november werd het uit 1869 daterende Witte-orgel in de Waalse Kerk te Delft opnieuw in gebruik genomen na een restauratie door de medewerkers van Orgelmakerij Gebr. Reil, onder advies van Aart Bergwerff. De eerste stappen voor de bouw van dit orgel werden in 1864 gezet door de orgelmaker C.G.F. Witte. Deze klaagde dat het bestaande Duytschot-orgel (1696) steeds moeilijker in een bruikbare staat te houden was en adviseerde om tot de bouw van een nieuw instrument over te gaan. De daaropvolgende besprekingen namen geruime tijd in beslag en pas in december 1867 werd het contract voor de vervaardiging van het huidige instrument getekend. Een jaar later werd het oude Duytschot-orgel openbaar verkocht en kreeg een nieuwe bestemming in de Christelijke Gereformeerde Kerk aan de Nobelstraat te Delft. Sinds 1900 staat dit instrument in de Hervormde Kerk te Hendrik-Ido-Ambacht.

In augustus 1869 kon het Witte-orgel worden ingewijd. Vijfentwintig jaar later volgden schoonmaak- en herstelwerkzaamheden, waarbij ondermeer de frontpijpen werden gevernist. In 1911 voerde G. Spit een algehele schoonmaak en revisie van het orgel uit. Ook verving hij de Flageolet 2 van het Bovenwerk door een Voix céleste 8. Vanaf 1912 verzorgde J.C. Sanders het onderhoud van het instrument. In 1921 werd een windmotor geplaatst en tien jaar later vonden opnieuw schoonmaak- en herstelwerkzaamheden plaats. In 1961 werd het orgel door Flentrop Orgelbouw gedemonteerd in verband met een ingrijpende restauratie van het kerkgebouw. Toen het instrument een jaar later weer herplaatst kon worden, werd de windvoorziening grotendeels vervangen en plaatste men de pedaalladen verder naar voren, zodat er achter de orgelkast een doorgang ontstond. Mogelijk werd bij deze gelegenheid de combinatietrede van het Hoofdwerk niet herplaatst, in elk geval is deze trede met bijbehorende mechaniek op enig moment verwijderd. Op advies van J.J. van den Berg voerde Flentrop Orgelbouw in 1968 enkele dispositiewijzigingen op het Bovenwerk uit. De Voix céleste 8 werd vervangen door een cilindrische Woudfluit 2 en de Violini 4 ruimde het veld voor een Nazard 3. Het pijpwerk van de Violini bleef in de orgelkast bewaard. Tenslotte voegde men een Flageolet 1 toe, plaatste men een nieuwe Tremulant en werd de lepelvormige trede voor de zwelkast vervangen door een basculetrede. Om de bovengenoemde dispositiewijzigingen te kunnen realiseren werd de windlade van het Bovenwerk opnieuw ingedeeld. Omstreeks 1983 verrijkte J.H. van der Veer het Hoofdwerk nog met een Mixtuur D V.

Bij de thans voltooide restauratie werd de kanalisatie weer zoveel mogelijk teruggebracht in de oorspronkelijke toestand; de ligging van de pedaalladen bleef echter ongewijzigd. De regulateur die in 1962 werd geplaatst is verwijderd, waarna er een nieuwe (gebruikte) hoofdbalg werd aangebracht. De pneumatische Tremulant voor het Bovenwerk (1968) werd verwijderd en de oorspronkelijke Tremulant weer in functie gebracht. Kast en front zijn schoongemaakt en waar nodig hersteld, de zijwand aan de klaviatuurzijde werd opnieuw geschilderd. De klaviatuur, de mechanieken en de windladen zijn zorgvuldig gerestaureerd, waarbij tevens de afwijkende registerplaatjes zijn vernieuwd en de combinatietrede voor het Hoofdwerk is gereconstrueerd. De windlade van het Hoofdwerk is voorzien van twee ventielkasten, zodat door middel van deze trede de sterke stemmen (Octaaf 4, Fluit 4, Octaaf 2, Mixtuur B, Cornet D en Trompet 8) in één keer worden in- of uitgeschakeld. Het pijpwerk is hersteld en waar nodig zijn versuikerde pijpvoeten vernieuwd. De grootste frontpijpen zijn thans opgehangen aan staalkabels om (opnieuw) doorzakken te voorkomen. Tenslotte werd de dispositie gewijzigd, waarbij de toestand van 1869 als uitgangspunt gold. De Flageolet 1 van het Bovenwerk is verwijderd en de oorspronkelijke Violini 4 herplaatst. De in 1968 geplaatste Nasard 3 en de Woudfluit 2 bleven gehandhaafd, maar het laatstgenoemde register is thans omgedoopt tot Flageolet.

De dispositie: Hoofdwerk (Manuaal I, C-f3): Bourdon 16 (C-h eiken, vervolg metaal), Prestant 8 (C-H en e-cis1 in het front, tin), Roerfluit 8 (C-H eiken, vervolg metaal), Violon 8, Octaaf 4, Fluit 4 (C-h roergedekt, vervolg open conisch), Octaaf 2 (c1-f3 overblazend), Mixtuur B III, Cornet D V, Trompet 8. Bovenwerk (Manuaal II, C-f3 in zwelkast): Prestant 8 (C-Fis in het front), Holfluit 8 (C-H eiken, vervolg metaal), Viola di Gamba 8 (tin), Roerfluit 4 (c1-f3 open conisch), Violini 4 (tin), Nasard 3 (1968), Flageolet 2 (1968), Dulciaan 8 (metalen stevels en koppen, bekers van tin), Tremulant. Pedaal (C-d1): Subbas 16 (eiken, open), Octaaf 8, Bourdon 8, Octaaf 4, Bazuin 16 (C-Dis houten koppen, alle kelen beleerd), Trombone 8 (beleerde kelen). Koppelingen Hoofdwerk-Bovenwerk, Pedaal-Hoofdwerk. Basculetrede zwelkast Bovenwerk, lepelvormige trede voor in- en uitschakelen combinatiestemmen Hoofdwerk, Ventiel, Tacet (2x). Winddruk: HW 86 mm, BW 82 mm, Pedaal 95 mm wk. Toonhoogte: a1 = 439 Hz bij 21ºC. Temperatuur: evenredig zwevend.

 

Bron: J. de Bloeme, Orgelmakerij Gebr. Reil, T.W.F. den Toom, De orgelmakers Witte. Heerenveen 1997, 861-863, 1039-1043