Tubbergen, St.-Pancratius Basiliek
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2000/10, oktober ]

tubbergenrk.jpg (36538 bytes)De werknemers van Elbertse Orgelmakers b.v. voltooiden deze zomer een omvangrijke restauratie/reconstructie van het Maarschalkerweerd-hoofdorgel van de St.-Pancratiusbasiliek te Tubbergen. Het orgel werd in 1881 gebouwd door de Utrechtse firma Maarschalkerweerd & Zoon en had bij oplevering de volgende dispositie: Manuaal (C-f3): Bourdon 16, Prestant 8’, Holpijp 8, Viola di gamba 8, Octaaf 4, Fluit octav. 4, Octaaf 2, Mixtuur II-III, Trompet B/D 8. Aangehangen pedaal (C-d1). Trede voor ‘windsplitsing’, waarmee de sterke registers konden worden uitgeschakeld – een in het oeuvre van Maarschalkerweerd vrij uniek fenomeen. Bij inschakeling van de trede bleven slechts de drie zachte (hierboven cursief gedrukt) registers over. Op deze wijze was het mogelijk om een tweeklaviers situatie te suggereren.

In 1897 kwam het huidige kerkgebouw, een schepping van architect Alfred Tepe, tot stand en Michael Maarschalkerweerd plaatste het orgel ongewijzigd. Twintig jaar later voegde de firma Maarschalkerweerd & Zoon een pneumatisch vrij pedaal toe, voorzien van de registers Subbas 16 en Violon 8. In 1955 volgden zeer ingrijpende wijzigingen, uitgevoerd door de firma Jos. Vermeulen. De plannen hiervoor waren ontworpen door de musicus Alphons Gaalman en Dr. P.J. de Bruijn, adviseur van de Katholieke Klokken & Orgelraad. Het orgel werd uitgebreid met een tweede manuaal en kreeg een geheel nieuw elektrisch regeerwerk. De nieuwe kegellade voor Manuaal II werd in de onderkast geplaatst en de oude klaviatuur ruimde het veld voor een geheel nieuwe speeltafel. De bestaande windladen werden strak tegen elkaar gelegd en met elkaar verbonden door de cancellen te doorboren. De oude windsplitsing en de ventielkast van de lade met de zachte registers werden verwijderd. Het bestaande pijpwerk bleef echter grotendeels bewaard. De Viola di gamba 8 werd getransformeerd tot Kwint 2 2/3 en de Violon 8 van het pedaal werd vervangen door een nieuwe Octaaf 8. Tenslotte breidde men de Mixtuur met één koor uit, en kreeg het pedaal nog een Gedekt 8 (transmissie uit Subbas). De dispositie luidde voortaan als volgt: Manuaal I: Bourdon 16, Prestant 8, Holpijp 8, Octaaf 4, Fluit 4, Kwint 2 2/3, Super-Octaaf 2, Mixtuur III-IV, Trompet 8. Manuaal II: Diapason 8, Roerfluit 8, Blokfluit 4, Flageolet 2, Sesquialter II. Pedaal: Subbas 16, Octaaf 8, Gedekt 8.

Omdat zich na verloop van tijd steeds meer storingen manifesteerden, en ook de klankgeving van het in 1955 toegevoegde pijpwerk in toenemende mate als onbevredigend werd ervaren, besloot men tot een nieuwe restauratie. Daarbij gold niet alleen het oorspronkelijke concept als uitgangspunt, maar probeerde men tevens de uitgangspunten van 1917 en 1955 te handhaven. De nog bewaarde oude windladen werden gebruikt voor Manuaal I, waarbij de aanleg van 1881 als uitgangspunt gold. De gecursiveerde registers zijn op de kleine windlade geplaatst. Bij inschakeling van de afsluiter blijven deze registers bespeelbaar. Boven in de kast plaatste men een geheel nieuwe sleeplade voor Manuaal II; de nieuwe pedaallade kreeg een plaats in een afzonderlijke kast achter het bestaande meubel. De klaviatuur en mechanieken werden geheel gereconstrueerd, naar voorbeeld van Maarschalkerweerd. De bestaande magazijnbalg kon worden gerestaureerd, maar de overige delen van de windvoorziening zijn geheel aan de nieuwe situatie aangepast. Het nog bewaarde oude pijpwerk werd zorgvuldig hersteld en waar nodig aangevuld. In principe zou alle pijpwerk uit 1881 op Manuaal I worden geplaatst. Uit praktische overwegingen besloot men echter om de gereconstrueerde Viola di gamba 8 op Manuaal II te plaatsen en de vrijgekomen plaats op Manuaal I in te vullen met een Fluit harm. 8. Voor de overige stemmen gebruikte men voornamelijk Maarschalkerweerd-pijpwerk uit het voormalige orgel van de Aloysiuskerk te Utrecht (1917), dat in het depot van het Aartsbisdom Utrecht lag opgeslagen. Slechts de Tertzfluit 1 3/5 van Manuaal II alsmede de Openbas 8 en Basson 16 (beide Pedaal), zijn geheel nieuw gemaakt. Het aldus vernieuwde instrument werd op 16 juli op feestelijke wijze in gebruik genomen. Als adviseur namens de KKOR trad Jos Laus op.

De dispositie: Hoofdwerk (Manuaal I, C-f3): Bourdon 16, Prestant 8, Fluit harm. 8, Holpijp 8, Octaaf 4, Fluit octav. 4, Octaaf 2, Mixtuur II-III, Trompet B/D 8. Bovenwerk (Manuaal II, C-f3): Holpijp 8, Viola di gamba 8, Prestant 4, Roerfluit 4, Nazard 3, Flageolet 2, Tertzfluit 1 3/5. Pedaal (C-d1): Subbas 16, Openbas 8, Basson 16. Koppelingen: Manuaalkoppel, Pedaal-I, Pedaal-II. Ventiel, Afsluiter. Winddrukken: Hoofdwerk en Bovenwerk 85 mm, Pedaal 93 mm. wk. Toonhoogte: a1 = 433 Hz. bij 15 ?C. Temperatuur: evenredig zwevend.

Bron: Het Maarschalkerweerd-hoofdorgel van de St. Pancratius Basiliek te Tubbergen, gebouwd in 1881 gereconstrueerd / gerestaureerd in 2000. Met dank aan Elbertse Orgelmakers