Amsterdam, Engelse Kerk op het Begijnhof
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 2000/5, mei]

In 1753 voltooide de Amsterdamse orgelmaker Christian Müller een geheel nieuw orgel voor de Engelse Kerk op het Begijnhof in zijn woonplaats. Het relatief bescheiden instrument, het laatste dat Müller in Amsterdam bouwde, zou volgens contract de volgende dispositie krijgen: Onderklavier: Bourdon D 16, Quintadeen 8, Octaaf 4, Quintprestant 3, Superoctaaff 2, Tertiaan B/D, Mixtuur III-IV, Trompet B/D. Bovenklavier: Prestant Dd 8, Roerfluyt 8, Gemshoorn 4, Roerquint 3, Nagthoorn 2, Cornet D. Of Müller het instrument daadwerkelijk zo opleverde is niet geheel zeker. Volgens de dispositieopgave van Hess (1774) was er op het onderklavier in plaats van de Bourdon D 16 een Bourdon 8 aanwezig. Verder maakt Hess geen melding van de Nagthoorn 2 van het Bovenklavier. Hoe het ook zij, het orgel lijkt relatief ongeschonden te zijn gebleven tot 1844. In dat jaar voerde J.H. Overdiek meerdere dispositiewijzigingen uit. Dertig jaar later, in 1874, bouwde P. Flaes een geheel nieuw orgel in de oude kas. Dit instrument was echter maar een kort leven beschoren, want reeds in 1906 bestelde men een nieuw orgel bij de firma Ingram and Comp. (Edinburgh). Zij leverden uiteindelijk een nieuw pneumatisch instrument, waarbij het oude Müller-front opnieuw gehandhaafd bleef. Nadat de beslissing voor de bouw van een nieuw orgel was genomen, bood men in 1998 het oude Ingram-orgel te koop aan. Flentrop Orgelbouw voltooide begin dit jaar een nieuw mechanisch instrument dat op 20 februari in gebruik genomen werd. Voor het concept baseerde men zich op de beschikbare gegevens en de aangetroffen sporen van het oorspronkelijke Müller-orgel, maar van een strikte kopie is geen sprake. Het één en ander resulteerde in een tweeklaviers instrument met vrij pedaal en 19 stemmen. Het Onderpositief kreeg een plaats in een zwelkast en werd uitgerust met een ‘transpositeur’ om een halve toon lager te kunnen spelen.

De dispositie: Hoofdwerk (Manuaal II, C-f3): Prestant Dd 8, Roerfluit 8, Octaaf 4, Fluit 4, Quintprestant 3, Octaaf 2, Terts 1 3/5, Mixtuur III-IV, Trompet B/D 8. Onderpositief (Manuaal I, in zwelkast, C-f3): Bourdon 8 (C-H hout), Quintadena 8, Viola da Gamba 8 (C-H gecombineerd met Bourdon), Gemshoorn 4, Roerquint 3, Nachthoorn 2, Flageolet 1. Pedaal (lade C-d1, klavier C-f1): Bourdon 16 (hout), Holpijp 8 (C-f gecombineerd met Bourdon), Fagot 16. Koppelingen: HW-OP, Ped-HW, Ped-OP. Transpositeur Onderpositief. Tremulant op het gehele werk. Winddruk: 69 mm wk. Toonhoogte: a1 = 440 Hz. Temperatuur: evenredig zwevend.

Bron: Flentrop Orgelbouw en Het Historische Orgel in Nederland II (1726-1769), 104-106