Giethoorn, Hervormde Kerk
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 1999/11, november]

giethoorn-hk.jpg (23173 bytes) Met een korte bespeling door Stef Tuinstra werd op 24 september het Knipscheer-orgel in de Hervormde Kerk te Giethoorn weer in gebruik genomen. Het instrument werd in 1872 gebouwd en telde oorspronkelijk één manuaal en aangehangen pedaal. De magazijnbalg, met handpompbediening, was in de onderkas geplaatst. Tot 1931 bleef het orgel ongewijzigd. In dat jaar vond een ingrijpende kerkrestauratie plaats. De gehele orgelgalerij werd vernieuwd en de verdere inrichting van het kerkgebouw onderging de nodige veranderingen. Het orgel werd herplaatst, zij het zonder de drie bekronende beelden. Ook de dispositie bleef niet onaangetast. De registers Terts D 1 3/5, Mixtuur B/D en Trompet 8 werden vervangen door respectievelijk Gamba D 4, Woudfluit B/D 4 en Octaaf D 8. Voor het laatstgenoemde register werd gebruik gemaakt van een aantal pijpen uit de verwijderde Mixtuur. De bovengenoemde werkzaamheden werden uitgevoerd door T. van der Molen (Steenwijk), die bovendien nog een windmotor leverde. In 1952 volgde een algehele restauratie door de orgelmaker J. Reil (Heerde). Namens de Nederlandse Klokken- en Orgelraad trad Arie Bouman op als adviseur. De manuaaldispositie werd gedeeltelijk gereconstrueerd. Men vervaardigde een nieuwe Terts D 1 3/5 en een nieuwe Mixtuur B/D (met afwijkende samenstelling) en een Quintadena D 16. Voor het laatstgenoemde register gebruikte men het pijpwerk van de oude Octaaf D 8. Windvoorziening, windlade, mechanieken en klaviatuur werden grondig hersteld en gedeeltelijk vernieuwd. Tenslotte vervaardigde men een vrij pedaal met elektrische traktuur, dat in een aparte kast achter het orgel werd geplaatst. Reeds in 1991 werd een restauratieplan opgesteld, maar pas dit jaar kreeg de restauratie van het instrument daadwerkelijk haar beslag. Net als in 1952 werden de werkzaamheden uitgevoerd door Orgelmakerij Gebr. Reil (Heerde). De reconstructie van het schilderwerk en van de beelden op de kast is uitgevoerd door Kunstrestauratie Lammert Muller (Zuidhorn). Windlade, windvoorziening, mechanieken en klaviatuur werden zorgvuldig hersteld en waar nodig gereconstrueerd. Zo vervaardigde men voor de klaviatuur een nieuw klavierraam met bakstukken en nieuwe registerknoppen. De windmotor (1952) bleef gehandhaafd, maar kreeg een geheel nieuwe dempkist met regulateur. De manuaaldispositie van 1872 werd nu wel tot in detail gereconstrueerd. Al het in 1952 geplaatste pijpwerk is verwijderd en de nog resterende pijpen van de oude Mixtuur (uit de Quintadena) zijn zorgvuldig gerestaureerd. Wèl werd een opliggende tremulant toegevoegd. Voor de reconstructie van de ontbrekende registers en de intonatie oriënteerde men zich op de Knipscheer-orgels te Kortenhoef en St.-Anna ter Muiden. Voor de ontbrekende beelden stond het Knipscheer-orgel van Hippolytushoef model. Het in 1952 toegevoegde vrije pedaal bleef gehandhaafd, maar werd ingrijpend gewijzigd. Daartoe vervaardigde men een geheel nieuwe windlade met mechanische traktuur, een nieuwe koppelmechaniek en een nieuw pedaalklavier; het pijpwerk is geherintoneerd. Als adviseur trad Stef Tuinstra op.

De dispositie: Manuaal (C-f3): Bourdon 8, Prestant D 8, Prestant 4, Gedektfluit 4, Quint 3, Octaaf 2, Terts D 1 3/5 (1999), Mixtuur B/D II-III (1872/1999), Trompet 8 (1999). Pedaal (C-h): Subbas 16, Octaaf 8. Pedaalkoppel, Windlosser (1872), Tremulant (opliggend, 1999). Winddruk: 62 mm wk. Toonhoogte: a1 = 435 Hz. Temperatuur Neidhardt I.

Bron: Programma van de ingebruikneming alsmede informatie van Orgelmakerij Gebr. Reil en Stef Tuinstra