Utrecht, Geertekerk
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 1999/10, oktober]

In juli voltooiden de werknemers van Orgelmakerij Gebr. van Vulpen de restauratie van het kabinetorgel in de Geertekerk te Utrecht. Ofschoon een originele signatuur niet meer aanwezig is, wordt dit instrument toegeschreven aan Deetof Onderhorst vanwege grote overeenkomsten met een ander orgel (in particulier bezit) dat door hem in 1762 werd voltooid. Over de verdere geschiedenis van dit orgel is maar weinig bekend. Na een restauratie door de firma Gebr. van Vulpen in 1957, werd het instrument in de Geertekerk geplaatst. Men vervaardigde toen een nieuwe windvoorziening (magazijnbalg), nieuwe bakstukken en nieuwe wellen. Tevens werd de oude Quint 3 B vermaakt tot Prestant 4 B. Aansluitend volgde een herintonatie op basis van ruimere voetopeningen.
Ruim veertig jaar later was het orgel toe aan algeheel technisch herstel, hetgeen opnieuw aan Van Vulpen werd toevertrouwd. De thans voltooide restauratie betrof met name de windlade, de klaviatuur en het pijpwerk. Daarbij zijn de intonatie-ingrepen van 1957 zoveel mogelijk geretoucheerd; de Prestant 4 B bleef echter gehandhaafd.
De dispositie: Manuaal (C-d3): Holpijp 8 B/D (eiken), Prestant 8 D, Prestant 4 B/D, Fluit 4 (C-h1 eiken, c2-b2 metaal gedekt, vervolg met roeren), Octaaf 2 B/D, Sexquialter II D. Tremulant. Winddruk: 60 mm wk. Toonhoogte a1 = 440 Hz. Temperatuur: evenredig zwevend.

Bron: Orgelmakerij Gebr. van Vulpen BV en A.J. Gierveld, Het Nederlandse huisorgel in de 17de en 18de eeuw. Utrecht 1977, 256-257