Amersfoort, Oud-Katholieke Gregoriuskerk
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 1999/10, oktober]


Op 7 oktober wordt het gerestaureerde orgel van de Oud-Katholieke Gregoriuskerk te Amersfoort weer aan het kerkbestuur overgedragen. Tijdens deze feestelijke gebeurtenis zal het orgel worden bespeeld door de heer E. Verhey, die zich zeer voor het herstel van 'zijn' orgel heeft ingezet.
De Amersfoortse Oud-Katholieke parochie ontstond aan het einde van de 17de eeuw en in 1696 betrok men 'het oude weeshuis', de kapel van het voormalige Sint-Agathaklooster. Vermoedelijk kreeg men in 1750 de beschikking over een orgel afkomstig uit de in datzelfde jaar ontruimde Onze Lieve Vrouwekapel. Over dit instrument, dat in 1858 plaats maakte voor een geheel nieuw instrument van C.G.F. Witte, is echter niet veel bekend.
Het Witte-orgel, dat op 5 december 1858 werd ingewijd, bleef nagenoeg gaaf bewaard tot aan de overplaatsing naar het nieuwe (huidige) kerkgebouw in 1928. De Utrechtse firma J.C. Sanders vervaardigde bij deze gelegenheid een geheel nieuw front naar een ontwerp van de architect W. van Gent, die ook de kerk had ontworpen. Ook de windvoorziening, de mechanieken en de dispositie bleven niet onaangetast, maar desondanks bleef er veel materiaal van Witte bewaard. In 1973 voerde de firma Fama & Raadgever beperkte herstelwerkzaamheden uit, maar een grondige restauratie was op termijn onvermijdelijk. Zover kwam het echter niet, want in 1977 werd het Witte-orgel verkocht. Het instrument kwam vervolgens in particulier bezit en werd bij die gelegenheid ingrijpend gewijzigd. In 1995 kreeg dit orgel een nieuwe bestemming in de Gereformeerd Vrijgemaakte Kerk te Driebergen.
In Amersfoort wist men via de heer T.P. Boersma (Irnsum) het huidige orgel van August Gern aan te kopen. August Gern was onder andere werkzaam bij Aristide Cavaillé-Coll en begon na de plaatsing van het Cavaillé-Coll-orgel in de Karmelietenkerk te London-Kensington (1866) in Engeland een eigen werkplaats. Het thans in Amersfoort aanwezige orgel werd door hem in 1871 gebouwd voor een tot nog toe onbekende kerk. Omstreeks 1927 kreeg het orgel een plaats in de kapel van het Leytonstone House Hospital (London), waar het tot 1977 dienst deed. In datzelfde jaar werd het instrument gekocht door de heer Boersma, die ook de plaatsing te Amersfoort uitvoerde. Bij deze gelegenheid kreeg het orgel een geheel nieuwe kas (naaldhout) vervaardigd door de heer G. Hardeman (Leersum). Kort daarna verrichtte de firma Strubbel (Inkerven), nog enige herstelwerkzaamheden, maar al vrij snel daarna ging de toestand van het instrument snel achteruit. De thans voltooide restauratie werd uitgevoerd door orgelmaker Henk van Eeken. Als adviseur was dr. Hans van Nieuwkoop bij het project betrokken.
Omdat het instrument met uitzondering van de kas nagenoeg gaaf bleek te zijn, kon worden volstaan met een conserverende restauratie. De slecht passende en niet originele blikken stemringen van een aantal open pijpen werden verwijderd, waarna de oorspronkelijke steminrichting (expressions) weer werd aangebracht. Ook de later aangebrachte conducten van westaflex werden verwijderd (de originele loden exemplaren waren nog aanwezig). De mechanieken verkeerden nog nagenoeg geheel in de oorspronkelijke toestand, niet-originele abstracten zijn vernieuwd. Het Great is voorzien van twee combinatietreden. De eerste trede bedient de registers Stopped Diapason 8 [sic] en Keraulophon 8; de tweede trede bedient alle registers behalve de Mixture II. De drie windladen zijn niet gesponseld en hebben eiken cancellenramen. De cancellenramen van het Great en het Swell zijn aan de bovenzijde afgesloten met een mahoniehouten fundamentplaat; bij de lade van het Pedal is aan de bovenzijde een naaldhouten regel aangebracht, waarin de vervoeringen voor de Bourdon 16 zijn opgenomen. De windvoorziening bestaat uit twee dubbele magazijnbalgen met in- en uitspringende vouwen. Deze balgen liggen achter elkaar in het orgel en zijn aan weerszijden van het orgel door middel van een windkanaal met elkaar verbonden. De achterste balg is voorzien van twee schepbalgen met een handpomp. Opmerkelijk is het feit dat Gern voor het Great nog een aanzienlijke hoeveelheid 18de-eeuws pijpwerk benutte. Op de grootste pijpen van de 'nieuwe' registers staan oorspronkelijke Franse benamingen, hetgeen aangeeft dat Gern veel van zijn materialen in Frankrijk bestelde; ook de factuur van diverse onderdelen verraadt nog de invloed van Cavaillé-Coll.
De dispositie: Great Organ (C-g3): Open Diapason 8 (C-d zink 1871, C-G en A-d in het front; vervolg op de lade 18de eeuws), Stopped Diapason 8 (C-e naaldhout, 1871, vervolg als roerfluit, 18de-eeuws), Keraulophon 8 (vanaf c, geheel 1871), Principal 4 (geheel 18de eeuws), Lieblich Flute 4 (geheel 1871, C-H gedekt, c-e2 als roerfluit, vervolg conisch), Fifteenth 2 (geheel 18de-eeuws), Mixture II (geheel 18de eeuws, samenstelling: C 2 - 1 1/3, c1 4 - 2 2/3). Swell Organ (C-g3 in zwelkast): Flute Harmonique 8 (vanaf f1 overblazend), Lieblich Gedact 8 (C-H naaldhout, vervolg metaal; c-h gedekt vervolg als roerfluit), Gemshorn 4, Piccolo 2, Basson-Hautbois 8, Tremulant. Pedal Organ (C-c1): Bourdon 16 (naaldhout). Koppelingen: Great-Swell, Pedals-Great, Pedals-Swell. Twee combinatietreden voor het Great. Winddruk: 74 mm wk. Toonhoogte: a1 = 440 Hz bij 15,6 °C. Temperatuur: evenredig zwevend.  

Bron: Henk van Eeken, orgelmaker en S.W.J. Schade van Westrum, 'Oud-katholiek orgelbezit (III)', in de Mixtuur, nr. 44 (1983), 548-553