Utrecht, Evangelisch Lutherse Kerk
[Orgelbouwnieuws uit de ORGELkrant 1999/2, februari]

utrecht-elk.jpg (17490 bytes) Met een concert door adviseur Aart Bergwerff op 11 december werd het gerestaureerde Witte-orgel in de Evangelisch Lutherse Kerk te Utrecht weer in gebruik genomen. Het instrument was in 1879-1880 gebouwd door Johan Frederik Witte en verving het uit 1717 daterende Verhofstadt-orgel. Dit laatste instrument bleef, weliswaar sterk gewijzigd, bewaard in de Hervormde Kerk te IJsselmuiden. Ook het Witte-orgel bleef niet ongeschonden. De firma J. De Koff plaatste in 1916 vrijwel het gehele pijpwerk in een zwelkast. Dezelfde firma voerde in 1964 een algehele revisie uit waarbij ook de dispositie enkele wijzigingen onderging.

Zo werd de Bourdon 16 uitsluitend bespeelbaar gemaakt vanaf het Pedaal (C-d1); de rest ruimde het veld voor een Mixtuur III-IV. Op het Nevenwerk werd de Salicet 8 gewijzigd in Prestant 4, de Viola 8 en Violini 4 maakten plaats voor een Quint 1 1/3 en Gemshoorn 2 en de zwelkast verdween. De technische staat van het instrument was echter al vrij snel weer een bron van zorgen en vanaf de jaren ’80 maakte men plannen voor een algehele restauratie. Na een lange periode van voorbereiding kreeg de firma Gebr. Van Vulpen uiteindelijk de opdracht voor een reconstructie zodat ook de oorspronkelijke dispositie kon worden hersteld. Windladen, mechanieken en pijpwerk ondergingen volledige restauratie waarbij een dertigtal pijpvoeten, die door tinpest waren aangetast, werden vernieuwd. Dit gold met name voor de Fluit 4. De ontbrekende registers en bijbehorende stokken werden gereconstrueerd aan de hand van de nog aanwezige fragmenten en andere orgels van Witte (onder andere Rijswijk en Nederhardinxveld-Giessendam, beide uit 1875). De Salicet bleek nagenoeg geheel bewaard te zijn; men had in 1964 de frontpijpen (C-c) eenvoudig uitgeschakeld en aanvullend materiaal geplaatst.

De dispositie: Hoofdwerk I (C-f3): Bourdon 16 (C-h eiken, vervolg metaal, vanaf dis1 nieuw), Prestant 8, Roerfluit 8 (C-c eiken, vervolg metaal), Octaaf 4, Quint 3, Octaaf 2, Cornet V D, Trompet 8 (koppen en stevels metaal). Nevenwerk II (C-f3): Holfluit 8 (C-c eiken, vervolg metaal), Salicet 8 (C-Fis gecombineerd met Prestant 8, vervolg metaal), Viola 8, (C-H gecombineerd met Holfluit, vervolg metaal, nieuw), Fluit 4 (C-h gedekt, vervolg conisch), Violini 4, (metaal, nieuw). Pedaal (C-d1): aangehangen. De Bourdon 16 spreekt permanent in het pedaal. Koppelingen: Manuaalkoppel, Pedaalkoppel (naar keuze Hoofdwerk of Nevenwerk), uitgevoerd als trede. Ventiel. Winddruk: 95 mm wk. Toonhoogte: a1 = 435 Hz bij 15 C. Temperatuur: evenredig zwevend.

Bron: firma Gebr. Van Vulpen, T.W.F. den Toom, De orgelmakers Witte, Heerenveen 1997, 900-901 en 1231-1233