Artikelen

 

Jaap Jan Steensma «’t Was Bätz die Konstenaar» Aanvullingen op de biografie van Jan Hendrik Hartman Bätz
Het ORGEL 111 (2015), nr. 3, 34-43 [samenvatting]

Dankzij onderzoek ter gelegenheid van orgelrestauraties is er de laatste jaren meer bekend geworden over het werk van Johann Heinrich Hartmann Bätz (1709-1770). Omdat zowel de archieven rondom de orgels als de instrumenten zelf regelmatig aangeven dat de ‘standaardliteratuur’ lacunes bevat, leek het de moeite waard enkele ‘basisbronnen’ opnieuw te bekijken. Hoewel de oogst vooralsnog niet kan resulteren in een complete herschrijving van Bätz’ biografie – hiervoor is veel meer (tijdrovend) onderzoek nodig – lijkt de tijd rijp om enkele van de thans gevonden archivalia reeds publiek te maken. Dit artikel kan dan ook beschouwd worden als een bijdrage tot completering van door Gert Oost gepubliceerde gegevens in zijn dissertatie De orgelmakers Bätz (1739-1849): een eeuw orgelbouw in Nederland (Alphen aan den Rijn 1975).
In het artikel komen verschillende aspecten aan bod, van Bätz’ huisgenoten en werknemers tot aan latere mythevorming. Er is een eerste handtekening (1740) gevonden en het blijkt dat diverse van zijn werknemers afkomstig waren uit zijn geboortestreek, Saksen/Thüringen. Een van de meest interessante werknemers is de in Eigenrieden geboren en vanuit Leeuwarden naar Utrecht verhuisde Nicolaus Zwartsburg.



Getuigschrift voor J.H.H. Bätz van Chr. Thielemann d.d. 1 mei 1733 Bron: Bätz-Witte Archief, Universiteitsbibliotheek Utrecht
Klik op de afbeelding voor een vergroting




De A-pijp van de Fluyt 4' van het Hoofdwerk van het orgel in de Petruskerk te Woerden met de signatuur van J.H.H. Bätz en het jaartal 1767
Foto: Jan Smelik

Tot voor kort waren er over Batz’ verblijf in Utrecht gedurende de ja-ren 1740-1748 geen documenten bekend.[20] Inmiddels zijn er nieuwe documenten gevonden door het zoeken op de reeds bekende spel-lingsafwijkingen van Batz’ naam in deze periode.[21]
Op 7 oktober 1740 verschijnt ]an Hendrik Batz samen met Gottlieb Herrlich en jan Hermanus van Delde voor notaris Pieter van Lent. Batz en Herrlich huren samen voor honderd gulden per jaar ‘Zekere huijze, erve en grond staende aen de oostzijde van de Hoogt agter de Staten Camer en nu laetst in huere gebruijkt bij N.O. Husart’. De huur zal ingaan vanaf 1 november 1740 voor een periode van, in beginsel, zes en een half jaar.[22] Voor zover nu valt na te gaan is dit het oudste document waarop Batz’ handtekening vermeld staat: