Artikelen

 

Matthijs Dekker ‘Treüer Gott, ich muß dir klagen’. Een onderzoek naar de relatie tussen tekst en muziek in een koraalpartita van Georg Böhm (1661-1733)
Het ORGEL 107 (2011), nr. 6, xx-xx [samenvatting]


Tot de meest gespeelde werken van Georg Böhm, die dit jaar 350 jaar geleden geboren werd, behoort ongetwijfeld de koraalpartita ‘Freu dich sehr, o meine Seele’. Deze compositie is namelijk bewaard gebleven in een drietal handschriften uit het begin van de achttiende eeuw. Eén van die handschriften is het Frankenberger-Manuscript - vernoemd naar zijn voormalige eigenaar: Heinrich Friedrich Frankenberger (1824-1885), hoforganist te Sondershausen – dat onderdeel uitmaakt van de Scheurleer-collectie dat zich tegenwoordig in het Nederlands Muziek Instituut te Den Haag bevindt.
Interessant is dat we Böhms koraalpartita in dit belangwekkend handschrift tegenkomen onder een andere titel dan ‘Freu dich sehr, o meine Seele’: ‘Treüer Gott, ich muß dir klagen’. Hiermee wordt gerefereerd aan een lied van Johann Heermann dat twaalf strofen blijkt te tellen, hetgeen exact overeenkomt met het aantal variaties van Böhms partita.
Mede op basis van een nauwkeurige (retorische) analyse wordt in het artikel betoogd dat de twaalf variaties die Böhms koraalpartita telt, verklankingen zijn van de even zovele strofen van Heermanns lied ‘Treuer Gott, ich muß dir klagen’.
Het in dit artikel gepresenteerde onderzoek werpt onder meer licht op de vraag wat (de jonge) Bach - wiens koraalpartita’s (BWV 766-768) niet alleen eenzelfde relatie tussen tekst en muziek, maar ook een verrassende overeenkomst in het gebruik van muzikaal-retorische figuren te zien geven - precies overgenomen van Böhm, bij wie Bach tijdens zijn verblijf in Lüneburg in de leer geweest moet zijn.

 


Partituur

 

Foto's Jan Smelik:

 

Lüneburg Johanniskriche












Lünburg Michaeliskirche