Artikelen

 

Pieter Post Gemeentezang, voorzangers en organisten bij de doopsgezinden sinds de achttiende eeuw
Het ORGEL 107 (2011), nr. 4, 04-11 [samenvatting]


Aanvankelijk kenden doopsgezinden het gebruik om op twee momenten in de kerkdienst te zingen (zgn. voor- en nazang). In de achttiende eeuw ontstond de praktijk om een derde keer te zingen: als onderbreking van de preek (en om geld in te zamelijk) werd een lied gezongen (zgn. ‘tussenzang’). Evenals andere protestantse groeperingen werd de gemeentezang bij doopsgezinden geleid door een voorzanger, die ook vaak voorlezer was. Het orgel werd in het begin niet als begeleidingsinstrument voor de gemeentezang ingeschakeld. De eerste doopsgezinde gemeente die een orgel invoerde tijdens de liturgie was die van Utrecht in 1765. Totdat de functie van voorzanger in veel gemeenten opgeheven werd in de tweede helft van de negentiende eeuw, waren de organist en de voorzanger beiden verantwoordelijk voor de gemeentezang.
Het verdwijnen van de voorzanger betekende dat predikanten een omvangrijkere taak kregen in de kerkdiensten. In de eerste helft van de twintigste eeuw ontstaat er belangstelling voor liturgie; er kwamen liturgische experimenten. Deze ontwikkeling resulteerde in de verschijning van het Kanselboek in 1948, waarin een aantal orden van dienst opgenomen waren.
In 1963 verscheen de bundel Psalmen en Liederen, die gezien kan worden als de doopsgezinde voorloper van het Liedboek voor de kerken. In het kader ontstond hernieuwde aandacht voor de gemeentezang en de begeleiding daarvan.