Artikelen

 

Joris Verdin Franse symfonische orgelmuziek
Het ORGEL 102 (2006), nr. 2, 14-27 [samenvatting]


In de 20ste eeuw is de Franse symfonische muziek op diverse manieren geïnterpreteerd. Nu de 19de eeuw niet langer ‘de vorige eeuw’ is en 19de-eeuwse dus ‘oude muziek’ is geworden, is het tijd om naar wat meer objectiviteit te streven.
Allereerst is het begrip ‘romantisch’ niet langer voldoende precies: romantische muziek is niet typisch iets van de 19de eeuw. Vervolgens dient vastgesteld te worden dat het symfonische orgel op het symfonie-orkest lijkt: beide zijn gericht op het samen klinken van registers dan wel instrumenten. De organist is dus te vergelijken met de dirigent.
Belangrijk is de scheiding die Widor ziet tussen kerkelijke en profane muziek. Dit idee markeert een belangrijk punt in een ontwikkeling in de 19de eeuw, waarin de kerken aanvankelijk volstroomden als gevolg van de wereldlijke muziek die er klonk; zo kon ook de gewone burger daar bekend mee gemaakt worden. Organisten waren ‘linkervoetvirtuozen’: de rechtervoet was essentieel om de zwelkast te bedienen, wat inhield dat dynamiek belangrijker was dan keurig legatospel. Dit orgelgebruik werd door componisten als Berlioz toegejuicht maar door auteurs als D’Ortigue afgewezen: orgels dienden volgens hen juist, bijvoorbeeld, de eeuwigheid te verklanken, door hun tonen lang en zonder veel dynamiek te laten klinken.
Een effect hiervan was dat Francks Chorals – niet bedoeld als kerkmuziek – voortaan langzamer dan voorheen werden gespeeld, omdat ze zo konden worden gered. Een ander effect van deze ontwikkeling was dat het begrip ‘symfonisch’ zeer breed van inhoud werd: bijna elk genre uit de 19de eeuw kon er na verloop tijd onder vallen.
Dit alles betekent dat de organist bij Franse symfonische orgelmuziek voortdurend keuzes moet maken ten aanzien van tempo, dynamiek, registratie – wat des te beter lukt wanneer daarbij ook de lectuur van de romans van iemand als Zola wordt betrokken.