Artikelen
| Hans Beek |
|
Spelen we orgelmuziek
uit de 17de en 18de eeuw wel in het juiste tempo? Het ORGEL 102 (2006), nr. 1, 26-31 [samenvatting] |
We weten maar weinig over het tempo dat men
twee eeuwen geleden bij musiceren koos. Er zijn de metronoomaanduidingen – maar
die kunnen op allerlei manieren geïnterpreteerd worden; er zijn oude ‘opnamen’
in de vorm van speeldozen en speeltrommels van beiaarden – maar die geven
mogelijk niet het ‘niet-mechanische’ musiceertempo weer; er zijn de dansen die
natuurlijk alleen binnen de snelheidsmogelijkheden van het menselijk
(dans)lichaam horen te worden uitgevoerd – maar ook dat zegt feitelijk weinig.
Ook bronnen als die van John Playford (1654), die zegt dat een grote kamerklok
een goed tempo aangeeft; of als die van Johann Joachim Quantz (1752), die
meedeelt dat 80 eenheden per minuut past bij een Allegretto – zijn te weinig
concreet om conclusies te kunnen trekken.
Daarom is het des te belangrijker dat in het Archief in Groningen een document
is ontdekt dat vrij nauwkeurig aangeeft hoelang het Stadts Collegium Musicum in
Groningen, opgericht in 1683 en in de hele 18de eeuw actief, over bepaalde
stukken mocht doen. Het is zaak dat deze bron door een musicoloog nader
bestudeerd wordt, zodat we eindelijk echt iets weten over muziektempo in de 17de
en 18de eeuw.



