Artikelen
| Pieter Bakker |
|
Het karakter van een
toonaard Het ORGEL 100 (2004), nr. 1, 33-37 [samenvatting] |
Ongeveer honderd jaar geleden introduceerden Duitse schrijvers het begrip
‘affectenleer’ in de muziekwetenschap. Het woord affect werd eerder wel al
gebruikt, maar het is de vraag of tijdens de barok met het woord ‘affect’ altijd
hetzelfde bedoeld werd.
Andreas Werckmeister, algemeen beschouwd als grondlegger van de affectenleer,
blijkt in feite slechts twee affecten te constateren: Dur en Moll; vrolijk en
treurig. In zijn opvattingen over temperaturen blijkt dat hij temperaturen
prefereert waarin de kwinten zo zuiver mogelijk zijn. Werckmeister is in deze
opzichten schatplichtig aan middeleeuwse muziektheoretici.
Veel moderner was Johann Philipp Kirnberger: hij propageerde weliswaar drie
verschillende temperatuurklassen, die hij onder meer aanprees omdat zo meer
affecten mogelijk werden – maar hij ging daarbij uit van het streven naar
zuivere tertsen, in reactie op onder meer Werckmeisters streven naar de
gelijkzwevende temperatuur.
Illustratief voor de veranderingen is de strijd tussen Johann Mattheson en
Johann Heinrich Buttstett in de jaren 1710.



