Artikelen

 

Piet van der Steen Jacob Bijster en zijn orgelwerken
Het ORGEL 99 (2003), nr. 5, 5-14 [samenvatting]

 
Jacob Bijster (1902-1958) schreef 31 orgelwerken; daarvan zijn er 20 uitgegeven. Deze uitgaven zijn uitverkocht. Wouter Bijster, zoon van de organist/componist, stelde het œuvre van zijn vader beschikbaar voor onderzoek. 
In 1929 werd Bijster orgelleraar aan het Amsterdams Conservatorium; in 1942 werd hij er hoofdleraar. Hij was organist van de Doopsgezinde Kerk Haarlem vanaf 1922 tot zijn dood.
In de jaren ’60 werd Bijsters aan de 19de-eeuwse Franse orgelcultuur gerelateerde muziek niet gewaardeerd; inmiddels komt daarin verandering. 
Opmerkelijk is dat Bijster blijkens zijn geschriften wel op de hoogte was van de muzikale ontwikkeling van componisten als Messiaen (Frankrijk), Hindemith (Duitsland) en Van der Horst (Nederland), maar dat daar in zijn composities niet veel van te merken is. Omgekeerd is net zo opvallend dat hij andermans werk soms tot in detail als uitgangspunt nam: zo lijkt zijn Passacaglia in enkele opzichten sprekend op die van Andriessen en is zijn Ricercare duidelijk geënt op die van De Klerk. Typerend voor Bijster zijn verder zijn voorkeur voor vijfstemmigheid, waarin hij ‘statische drieklanken’ (zonder traditionele functietoewijzing) toepaste en parallelharmoniek; en het verschil tussen zijn theorieën over tonaliteit en modaliteit en zijn harmonisaties. Helaas heeft hij nooit uiteengezet wat de achtergronden van één en ander waren. 
Niet zijn bekende variaties over Ik wil mij gaan vertroosten, maar
Toccata (1945), Triptyque pour orgue, Passacaglia (1954) en Concert voor Orgel en Orkest zijn de beste werken voor orgel van Jacob Bijster.