Bijlage bij artikel van Victor Timmer

BIJLAGE 1

Veendam: concept bestek voor het Van Oeckelen-orgel


Bestek en 
Conditien
van een
nieuw Kerkorgel
in de
Roomsch 
Catholijke 
Gemeente
te
Veendam
opgesteld
door den 
Orgelmaker
P. van Oeckelen
te Groningen.



Art. 1

GROOTTE DES ORGELS.
Bovengenoemd Orgel zal bestaan uit:
1o Een Hoofd-manuaal of Hoofdwerk
2o Een Bovenmanuaal of Bovenwerk met een aangehangen Pedaal, 
bevattende te zamen Dertien 
Stemmen.

Art.2
VAN HET GETAL WINDLADEN EN DERZELVER MAAKSEL.

Tot het Hoofdmanuaal zal eene sleepwindlade, verdeeld in 54 Cancellen of windkamers, loopende van Groot C tot en met drie gestreept F, in grootte, oppervlakte en inhoud ge‰venredigd aan de grootte en de hoeveelheid de stemmen, welke er op zullen komen ste staan, vervaardigd worden. Dezelve zullen zoodanig bewerkt en ingerigt, met lijm te zamen gevoeg, van binnen met roodbolis en lijm uitgeverwd, en de bovenkant of fundaments-bord met wit leder overtrokken worden, dat nimmer doorspraak of eenig ander gebrek van dien aard er kan ontstaan. Deze Windlade, welke in twee deelen vervaardigd, en door koppelstokken aan elkaar verbonden wordt, zal met deszelfs pijpstokken, roosters en pijpstoelen, sleepen, ventielen enz: van best droog wagenschot worden gemaakt; aande onderkant van de windlade in de windkast, alwaar de ventielen tegen aan drukken, zal met best mediaan papier in plaats van leder orden bekleed; terwijl de ventielen met zachte strooken leder belederd en van achteren los in hunnen stiften moeten worden gelegd, om ten alle tijde, naar verkiezing, dezelve er te kunnen uitnemen en zullende de pijpstokken met stevige koperen of palmbomen schrieven op de windlade worden bevestigd. Tot het Bovenmanuaal of Bovenwerk, zal insgelijks een sleepwindlade van best droog wagenschot worden vervaardigd, in
verdeeling en bewerking gelijk als boven beschrevene Hoofdmanuaals-lade, met uitzondering dat dezelve in ‚‚n deel of doorlopende lengte kan genomen worden; terwijl de deuren of luiken der beide windladen met koperen haken moeten gesloten worden.

Art.3

OVER HET PIJPWERK.

Op boven omschreven Windlade zyullen worden geplaatst dertien Stemmen.

Dispositie

Manuaal of Hoofdwerk.

1o Prestant 8 Voet, zijnde de frontpijpen, van engelsch tin en gepolijst.
1o Bourdon 16 Voet, de beide onderste Octaven van Wagenschot.
3o Gedakt 8 Voet, onderste Octaaf van Wagenschot.
4o Octaaf 4 Voet van specie.
5o Fluit 4 Voet van specie.
6o Octaaf 2 Voet van specie.
7o Cornet, 3 sterk, discant van specie
9o Trompet 8 Vt (gehalveerd)


Boven-Manuaal
1o Holpijp 8 Voet, groot Octaaf van Wagenschot
2o Viola de Gamba, 8 Vt (de eerste zes tonen, van af Groot C tot en met F zullen uit de Holpijpontleend worden; de volgende van specie.
3o Fluit 4 Vt van specie.
4o Fluit 2 Vt van specie.
5o Flageolet 1 Vt van specie.

De Frontpijpen, welke de torens vullen, zullen met opgedrevene labiums worden voorzien, en met gezamenlijke veldpijpen sierlijk worden gepolijst. De specie tot de binnenstaande pijpen, welke ingemelde dispositie niet van hout of tin zijn opgegeven, zullen uit een mengsel van 1/3 tin en 2/3 lood bestaan. De houten pijpen zullen geploegd, of met houten nagels in elkander worden gemaakt,en van binnen met roodbolis en lijm worden uitgeverwd en de voorslagen met leder en koperen schroeven worden vastgelegd, om ten allen tijde de intonatie te kunnen regelen. Al het binnenstaande pijpwerk zal zoo geregeld en ruim op de windladen worden geplaatst, dat geene den anderen in uitspraak hinderlijk zij en men op eene gemakkelijke wijze bij iedere pijp kan komen om te stemmen terwijl de grootste opene labiaal-pijpen van stemlappen worden voorzien, welke boven in ieder dier pijpen zal moeten worden gesoldeerd. De mondstukken en tongen van de Trompet 8 Voet zullen van best geslagen geel koper zijn; de grootste mondstukken zullen met tinnen platen met leder bevoederd, worden belegd; terwijl destemkrukken ter bekwamer dikte van geel koperdraad zullen genomen worden.

Art. 4
BLAASBALGEN

De blaasbalgen, welke tot dit Orgel zullen gebezigd worden, moeten drie in getal zijn, ieder ter lengte van 2 Ellen en 60 duimen en ter breedte van 1 El en 30 duim van best droog 38 Streeps wagenschot; de fundament- en bovenbalken zullen mede van 37 streeps wagenschot moeten zijn, ter hoogte van 11 duimen; de laatste bij wijze van een raam suffisant op het bovenblad worden bevestigd met lijm en houten nagels.
De valten of vouwen zullen uit eene breedte van 32 duimen, 13 streeps wagenschot worden genomen; van binnen zoo wel als de bladen der balgen met lijm en roodbolis worden uitgeverwd. De onder- en bovenvalten worden van binnen zoo wel als van buiten en op de bladen met wit leder verbonden, waarna dezelve vervolgens weder met leder worden voorzien; terwijl de broeken of zwikkels van daartoe geschikt leder zullen genomen worden.
Ieder balg zal omkleed worden met randen van 13 streeps wagenschot, welke met houten nagels zullen worden bevestigd, ten einde muizen enz: van dezelve af te sluiten; de hoogte van deopgang dezer balgen zal 40 duimen moeten zijn. De monden der blaasbalgen zullen in evenredigheid der balgen zoo verdeeld worden dat ieder genoegzame uitval van wind heeft en de helling der monden, als mede de ventielen zoodanig worden gemaakt, dat geene tremulering worden bemerkt; zullende de inhoud dezer monden echter niet beneden 192 duimen mogen genoemen worden.
De vang-ventielen zullen op ramen gelegd, met koperen schroeven onder tegen de balgen worden bevestigd, om dezelve naar verkiezing er onder te kunnen wegnemen.

Art. 5

Het ribbenhout, benoodigd tot de blaasbalgenkast, alsmede de omkleeding der zoldering derzelve, kan van best vuren hout genomen worden, met uitzondering van de treden en ligters, welkeeersten van eene bekwame dikte van greinen hout en de laatsten van taai 
eiken hout moeten vervaardigd worden.

Art. 6
VAN DE WINDKANALEN.

Alle Windkanalen tot dit Orgel zullen van best droog Wagenschot worden vervaardigd, van binnen met roodbolis en lijm uitgeverwd, en met houten nagels en lijm te zamen worden gevoegd. Dezelvezullen bestaan uit:1o Een hoofdkanaal van 25 Streeps Wagenschot met eene inhoud van 1300 ? duimen
2o Een leidkanaal voor het Hoofdmanuaal, 2 duims hout met eene inhoud van 840 ? duimen
3o Twee leidkanalen naar iedere halve lade, een ieder met eene inhoud van 420 ? duimen.
4o Een leidkanaal, dat onmiddelijk uit het Hoofdkanaal in de bovenwerks-lade wordt geleid, en zal eene inhoud hebben van 420 ? duimen.

Art. 7
VAN DE AFSLUITINGEN

De windafsluitingen, welke twee in getal zijn, zullen mede van wagenschot worden gemaakt; de plaatsing is als volgt:
Een in het leidkanaal van het Hoofdmanuaal.
Een in het leidkanaal van het Bovenmanuaal.
De kleppen van deze beide afsluitingen twee maal met leder bevoeren, opdat er geen de minste wind kan doorgaan, zullende er tevens een windlosser worden aangebracht.

Art. 8
VAN DE CLAVIEREN

De beide handclavieren, welke ieder verdeeld zijn in 54 clavis of toetsen, loopende van groot C tot en met drie gestreept F, zullen van droog 
regtdradig watenschot worden vervaardigd; de platte ofbeneden toetsen met best ivoor belegd, en de verheven of boven toetsen van massief zwart ebbenhout worden gemaakt; onder iedere rei clavieren zullen zachte kussens worden aangebragt; de toetsen zonder te knellen, zullen sluiten tussen hunne stiften; de gaten, waardoor de drukkers gaan, juist van wijdte zijn, om zoo veel mogelijk eenen gemakkelijke bespeeling te bevorderen.
De twee Clavier ramen zullen van wagenschot worden gemaakt, en gemaakt, en voor zoo verre dezelve in het gezigt komen, alsmede de voorzetplanken en de lessenaar met sierlijke mahoniehoutworden belijmd.
Het Pedaal of Voetklavier, bevattende Vijf en twintig toetsen van groot C tot en met een gestreept C, zal van droog wagenschot vervaardigd, en in het raam zoodanig met zachte door lederovertrokken kussens voorzien worden, dat de toetsen eene zachte en gemakkelijke beweging hebben; terwijl iedere Claaf van onderen moet voorzien zijn van eene koperen Veer om derzelve vlugheid te bevorderen; en eindelijk, het pedaalraam met de toetsen zoodanig te plaatsen, dat men derzelve er gemakkelijk er voor kan wegnemen. 
Tot de boven omschreven handclavieren, zal worden aangebragt een trek-koppeling, en wel zoo ingerigt, dat dezelve onder het bespeelen zonder eenige hinder kan aan- of afgezet worden; zullende deze koppeling in de Bas en Discant gescheiden, en bijgevolg gehalveerde koppeling zijn.

Art.9
VAN DE MECHANICA IN HET ALGEMEEN

De tot het mechanique werk vereischt wordende Welraam, welborden met hunnen dokken en armen, zullen, even als het Registratuur, Welatuur, Koppelstokken, Claviatuur, Winkelhaakstukken met hunne lijsten enz: en al het houtwerk, hetwelk tot de Mechanica behoort, van best droog wagenschot vervaardigd worden, met uitzondering van alle abstracten en drukkers, welke van taai Riga's greinen hout zullen worden gemaakt. Alle de armen, winkelhaken, wippen enz: tot het registratuur benoodigd, zullen van taai ijzer worden gesmeed en met menieverw tot wering van roest worden aangestreken. Al het draadwerk, hetwelk tot de wechanica, alsook datgeene, hetwelk tot het overige orgelwerk moet gebruikt worden, zal van best koperdraad worden genomen. Ook zal bij het vervaardigen de mechanica, de uiterste naauwkeurigheid in acht genomen worden; de verdeeling, plaatsing en bewerking zoodanig geschieden, dat zich alles zeer ligt en vlug laat regeren, en men na de zamenstelling, zonder eenige hinder, tot ieder afzonderlijk, deel kan geraken.

Art. 10
VAN DE REGISTERS

De Register knoppen, welke 19 in getal, zullen van zwart ebbenhout, naar een sierlijk model worden gedraaid, en in een behoorlijke orde boven het Clavier worden verdeeld; terwijl de benaming van ieder met nette verguldene letters op daartoe geplaatste plaatjes boven dezelve gesteld zullen worden.

Art. 11

Alle de materialen, welke verder tot het binnenwerk van het bovengenoemde Orgel benoodigd zijn, en te veel om te specificeren, zullen door den Aannemer, ter goeder trouw, ten genoegen der Heeren Uitbesteders geleverd, en de noodige bewerking daarvan op de naauwkeurigste wijze verrigt worden. 

Art. 12

Na alle pijpen op hunne windladen regtstandig en sluitend in hunne stoelen te hebben gezet, en na de grootste, welke niet geschikt op zich zelve kunnen staan, met aangesoldeerde oogen aanlatten of regels met koperen pennen te hebben vastgehangen, zal men tot de intonatie derzelve overgaan. Na ieder stem dan naar zijn aard te hebben geintoneerd, en alle van eene vlugge aanspraak te hebben voorzien, zal het gehele pijpwerk in Orchesttoon in de gelijkzwevende temperatuur in eene goede harmonie worden gestemd.Na het Orgel, na het hierboven beschreven bestek te hebben voltooid, kan hetzelve ter examinatie aan deskundigen, door de Wel Edele Achtbare Heeren Kerkvoogden, daartoe te benoemen, wordenaangeboden. 

Art. 13

De Orgelkast zal van best greinen hout worden vervaardigd. Het lijstwerk aan de ronde Torens, zal sierlijk gestoken en de ornamenten voor de pijpen, alsmede boven en ter zijde der Orgelkast, zullen fraai worden gesneden van bovengenoemd hout. Deze Orgelkast zal hecht sterk in elkander gewerkt, en de stijlen, regels, enz: op eene behoorlijke dikte en breedte, en van achteren, zoo wel als gedeeltelijk op de zijden met paneelluiken en deuren voorzien worden. De diepte van deze kast zal zoo genomen worden, dat men op eene gemakkelijke wijze bij alle deelen van het Orgel kan geraken. Buiten dat de Orgelkast door een gedeelte van de zoldering der blaasbalgen-kast in het midden moet worden verbonden en gesteund, zullen er, vanaf het muurwerk, ijzeren ankers doelmatig worden aangebragt. De kleur dezer kast zal met overleg van de Wel Edele Achtbare Heeren Uitbesteders gekozen worden, hetzij uit palisander met witte biezen en ornamenten netjes ingewerkt, of eenig ander daartoe geschikte kleur; - de ornamenten voor de voet der pijpen en verder snijwerk dat tot sieraad der orgelkast verstrekt, zal uit wit met goud doelmatig worden afgezet, bestaan enz:, terwijl de achterkant der Orgelkast, alsook de omkleeding der blaasbalgenkast met olieverw moeten worden gedekt, in kleur, zoo veel mogelijk, aan de Orgelkast en lambrisering gelijk.

Art. 14

Voor dit orgel zal den Aannemer genieten eene Som van Drie duizend een honderd en tien gulden, te betalen in vier gelijke termijnen, te weten: Het eerste, als de orgelkast ter plaatse is gebracht.
Het tweede, als de blaasbalgen, windladen en kanalen op hunne kanalen op hunne plaats in de kerk aanwezig zijn.
Het derde, wanneer het Orgel geheel is afgewerkt en goedgekeurd; zijnde voor Midwinter 1800 ‚‚n en Vijftig.
Het vierde of laatste termijn, één jaar na inwijding; en wel van het laatste termijn blijvende uitstaan 't restant van Driehonderd Gulden, in drie egale termijnen ieder ad honderd Gulden, en wel het eerste op primo 188 drie en vijftig; het tweede 188 vier en vijftig; en het derde of laatste op den eersten 1800 Vijf en vijftig, ieder jaar met bijbetaling van rente naar Vier Gulden ten honderd in het jaar. Het onderhoud en de stemming van het orgel blijft tot de geheele aflossing toe voor rekening van den Aannemer.

Art. 15

Voor rekening van den Aannemer verblijven alle kosten voor transport, verblijf- en kostengeld, welke er gedurende het opzetten en afwerken van het boven omschreven Orgel worden vereischt; terwijl de Heeren Uitbesteders zich verpligten met het aanwijzen en bruikbaar stellen van een geschikt locaal tot berg- en werkplaats voor den Aannemer.

Art. 16

De Aannemer zal moeten zorgen, dat het Orgel binnen den tijd van het bepaalde termijn hiervoren omschreven zal zijn afgewerkt; voor idere week, dat het Orgel later zal zijn afgewerkt, dan dientijd, zal hij op het bestekpenningen twintig Gulden kunnen gekort worden.

Art. 17

Voor rekening van Heeren Uitbesteders zal zijn het leggen van eene zolder, waarop de blaasbalgen achter het orgel komen te leggen, alsmede de omkleeding van de blaasbalgenkast en de Orgelstoel; terwijl voor rekening van den Aannemer zal verblijven de levering van het ribbenhout, namelijk voor de jukken der blaasbalgen en de Orgelstoel; deze naar vereisch vervaardigd en ter plaatse gevaardigd gebragt.

(w.g.) P. van Oeckelen. 








BIJLAGE 2

Veenhuizen, R.-K. Kerk: contract met J.W. Timpe en Zoon, 1835

Contract van Aanbesteding

Pastoor en Kerk meesters der Roomsch Katholyke gemeente in de Maatschappy van weldadigheid te Veenhuizen vornemens zynde een Nieuw-Orgel in hun kerkgebouw te doen plaatsen, zyn met de orgelmakers J:W:Timpe & Zoon te Groningen omtrent het maken en plaatsen van een Nieuw-Orgel voor de zomma van Vijfhonderd Vijf & Twintig Guldens over een gekomen als volgt.

Art. 1.

De kast des orgels zal gemaakt worden van best Vuren en Grynen hout, dezelve zal Vyftien voeten hoog, Acht voeten, en vier duim breed, en Drie Voeten zes duimen diep wezen, zy zal best en sterk bewerkt, met losse luiken, om overal waar het nodig is gemakkelyk by het binnen werk te kunnen komen, voorzien zyn, en de ornamenten en aanzicht, derzelve, zal weezen naar aard, van bygevoegde en afgegevene tekening des Orgels.

Art. 2.

De windlade van het te maken orgel zal eene sleepwindladen wezen, gemaakt van best droog wagenschots hout, zeven voeten lang, twee voeten zes duim breed, verdeeld in vier en vijftig tonen van Groot C tot F III gestreept, voorzien met losse Ventielen of Kleppen die er naar willekeur kunnen uitgenomen worden, met geel koperen aanhangdraden, veeren en stiften.- Verder zal deze sleep windlade zoo zyn ingerigt, dat naderhand op dezelve zes of zeven registers of stemmen gemakkelyk kunnen geplaast worden als buiten de art.5 genoemde een Boerdon zestien Voet, octaaf vier voet, en Vluit twee Voet.

Art. 3.

De Blaasbalg van dit Orgel zal zeven voeten lang Drie voeten drie duim breed wezen, drie bladen van best vurenhoud ter dikte van duim, de 
plooyen of vouden van best wagenschot ter dikten van een half duim hebben en op alle zyden evenweid ter hoogten van zeventien of achtien duim opengaans. Onder dezen blaasbalg zal de schepbalg, een voet korter en zes duim smalder dan de blaasbalg met deszelfs windkanaal worden aangebragt van de zelfde Specie gemaakt zyn als het vorigen van dit Art. en dit alles met best wit schapen leder bekleed worden./ de voet maat wordt bedoeld groninger maat/ voor alle art. vatbaar.

Art. 4.

Het Handklavier lopende van C tot F Drie gestreept voor Vier en Vyftig Tonen zal van best droog wagenschots houd gemaakt worden, de onder Toetsen zullen met best zwart Ebbenhoud belymd wezen, gelyk ook de boven Toetsen welke laatsten echter op de bovenzyde met wit yvoor zullen opgelegd zyn. Het hiertoe behorende welraam verdeeld als het bovenstaande ter lengten van de windlade, en ter breedte van het Klavier zal ook van best droog wagenschots houd gemaakt zyn,- De Honderd en acht arrenas en stiften, de vier en vyftig winkelhaken en aanhange draden zullen van Geel koper weezen.

Art. 5.

Op bovengenoemde windlade in het te maken Orgel zullen gezegde orgelmakers verpligt wezen te plaatsen / 1§ Een Prestant van Acht voeten, gemaakt van Best Bankas tin/ in het gezicht/ 2§ Holpijp Acht voet 3§ Vluit van vier voet 4§ Mixtuur. Deze drie laatste voorwerpen zullen gemaakt worden van Eeen derde Tin, en twee Derde Lood.

Art. 6.

Het Orgel met alle zyne genoemde of ongenoemde toebehoorzelen zal tegen den Eerste November van dit lopende Jaar Achttien Honderd Vijf en Dertig, niet alleen gemaakt maar ook in het Roomsch-Katholyken Kerkgebouw te Veenhuizen geplaatst weezen, en op kosten vanden makers in eenen behoorlyken Order gezet weezen, zoo dat het zonderen verderen werkzaamheden aan het zelve kan bespeeld worden, zonder te verven dit is voor rekening der Heeren uitbesteeders.

Art. 7. 

Het Orgel zal in zyn geheel en allen zynen spreekenden deelen eenen volmaakte goede toon en eenen vlugge aanspraak hebben, en in orkest toon met gelyk zwevende Temperatuur gestemd wezen, zoo dat allen toonen goed en vlug kan gespeeld worden.

Art. 8.

Na plaatsing van het Orgel zullen Een of twee onpartydige deskundigen het Orgel Examineeren, het welk als het niet goed, of naar deze artiekels niet gemaakt te zyn word bevonden, of in genen deelen aande aftekening voldoet of iets aan mogt ontbreken, zal door den maker verbeterd worden, alvorens betaling te ontvangen.- wanneer het echter volgens dezen artiekels en aftekening gemaakt en buitendien goed is bevonden, zullen hem aanbesteders na de goedkeuring Drie Honderd Gulden uitbetalen, en voorts het resteerende in de loop van het jaar Achtien Honderd Zes & Dertig 
voldoen. 

Art. 9.

De orgelmakers zullen echter voor die gebreeken, welke voor het grootste gedeelten uit het maken van het orgel voort vloeijen, zes agter eenvolgenden jaren lang voor het werk moeten instaan.

Art. 10.

Zoo Lang ten laatste de orgelmakers met plaatsing en in Een ander voegen van het orgel in gezegd Kerkgebouw werkzaam is, zullen hem Heeren uitbesteeders op hunnen Kosten van Woning en Levensbehoeften voorzien.Tot Verbinding en nakoming van deze artiekelen zyn 
twee Eensluidende afschriften gemaakt en Eigenhandig ondertekend.
Veenhuizen den Eerste Mei, Achtien Honderd 35

Groningen den Mei 1835 De Pastoor A. BRUUNS

J:W: Timpe Van der Mey, de 
Bie
De orgelmakers ? orgelmaker De Kerkmeesters ?
B:N: Timpe J. Meyer