Artikelen

 

Victor Timmer R.-k. orgelbezit in Groningen en Drenthe in het midden van de 19de eeuw
Het ORGEL 98 (2002), nr. 1, 20-31 [samenvatting]

 

De Rooms-Katholieke Kerk manifesteerde zich in toenemende mater na het herstellen van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853. Dit artikel geeft een overzicht van de omstreeks 1854 in parochies in Groningen en Drenthe aanwezige orgels. Van deze instrumenten bleven er slechts weinig bewaard. Grote nieuwe kerken, andere gebruikseisen en een zich wijzigende muzikale smaak vroegen andere orgels dan de aanwezige.

In dit eerste deel van het artikel aandacht voor de orgels in Appingedam (H. Nicolaas, mogelijk een Schnitger-orgel), Assen (H. Maria ten Hemelopneming, een anoniem gebleven ‘kabinet-orgel’), Bedum (H. Maria ten Hemelopneming, een door Timpe (1819) gebouwd en door Freytag vanaf 1838 onderhouden orgel), Coevorden (St.-Willibrordus, een Lindsen-orgel uit circa 1850, daarna een Winkels-orgel uit 1894, in 1914 naar de nieuwe kerk verplaatst en later verbouwd), Delfzijl (H. Jozef, een kabinetorgel waaraan nog door Timpe is gewerkt) en Den Hoorn (St.-Bonifatius, had rond 1800 een orgel waaraan Lohman gewerkt heeft, kreeg in 1814 een Van Gruisen-orgel, dat naderhand onderhouden werd door Timpe, en later door Van Oeckelen en Adema; het orgel werd in 1927 van de hand gedaan).