Artikelen

 

Wim van Kraanen De ‘orgelinstallatie’
Het ORGEL 97 (2001), nr. 1, 34-36 [samenvatting]


Wanneer is een geluidsinstallatie geschikt voor het weergeven van orgelmuziek? Het antwoord hangt af van de eigenschappen van de apparatuur, de smaak van de luisteraar en de akoestiek van de luisterruimte. Dit artikel gaat over de apparatuur, met name over de luidsprekers en de versterker.

De luidsprekers dienen zeer lage tonen weer te geven en dienen dus groot te zijn. Elektrostaten zijn niet geschikt: hun geluidsbeeld is niet ‘breed’ en ze geven lage tonen met moeite weer. Dynamische luidsprekers zijn geschikter; een nadeel is dat er per frequentiegebied aparte weergevers nodig zijn. Een tweeweg systeem is te prefereren; dan blijft het aantal filters dat de frequentiegebieden scheidt beperkt.

Er zijn transistorversterkers en buizenversterkers. Een transistorversterker beheerst een luidspreker meestal beter, vooral bij lage tonen. Een buizenversterker, die meestal minder vermogen heeft, geeft details en ruimtelijkheid beter weer. Omdat orgelmuziek grote luidsprekers vereist is een buizenversterker met een voldoende krachtig vermogen om de lage tonen te beheersen een goede optie.

Wie geen grote luidsprekers wenst, kan eventueel ‘monitoren’ aanschaffen: kleine luidsprekers die een tamelijk juiste indruk geven van de lage tonen.