Artikelen

 

Herman de Kler Een Haags spiegelbeeld van de geschiedenis van het orgelspel en de gemeentezang
Het ORGEL 96 (2000), nr. 6, 27-36 [samenvatting]

 

Interieur Grote Kerk Den Haag met het Hagerbeer-orgel uit 1629. Schilderij van Bartholomeus van Bassen uit 1639.Eeuwenlang al wordt over de gereformeerde gemeentezang negatief geschreven. Huygens had het over geschreeuw, niet op toon en buiten de maat zingen. Sommigen vonden ook het lage tempo en de isometriek een probleem. Deze waren nodig voor de heterofonie: het kerkvolk zong a capella, dynamiseerde de affecten van ‘het Woord’, nam de tijd. Het was een intrigerend gebeuren: creatieve chaos schiep nieuwe harmonie. Maar strenge critici achtten dit alles chaotisch en historici volgden hun mening. Kan men uit hun intelligente observaties ook andere dan alleen afwijzende conclusies trekken?

De 17de-eeuwse psalmbewerkingen, gecomponeerd voor seculiere orgelbespelingen en beoefening van huismuziek, volgen nauwgezet de ritmische cantus firmus van ‘Genève’ en kunnen moeilijk gezien worden als instructief voor de gemeentezang. Improvisaties imiteerden de zangwijze soms wèl en 18de-eeuwse begeleidingsboeken cultiveerden de heterofonie. Dit betekent dat de behoefte aan afschaffing daarvan niet zo sterk was als sommige historici wel geloven.

Het veelvuldig en enthousiast spelen van profane muziek op het orgel paste goed in het kerkgebouw als publieke ruimte. Het is ongewenst deze orgelpraktijk af te wijzen op basis van de mening van enkele vooraanstaande tijdgenoten. Muziek vraagt om een eigen oordeel.

Er kwamen pas grote veranderingen in de zang toen men na de Tweede Wereldoorlog op zogenaamd ‘ritmisch zingen’ overging. De traditionele, uit de late middeleeuwen voortgekomen zangwijze, verkeerde toen in het stadium van een ‘cultural lag’, een culturele achterstand. De gemeentezang werd helaas gemodelleerd tot eenstemmige koorzang. De geschiedenis van ‘Den Haag’ biedt in van dit alles een geschikt exemplarisch voorbeeld.