Artikelen

 

Joris Verdin ‘Het Orgel geschikt voor uitdrukking’?
Het ORGEL 96 (2000), nr. 5, 15-23 [samenvatting]

 

In de 19de-eeuwse expressiviteit spelen dynamiek en agogiek een vooraanstaande rol. In dit artikel wordt dieper ingegaan op het eerste element. Aan de hand van geschreven bronnen uit de betreffende periode stellen we vast dat expressiviteit, dynamiek en het begrip ‘expression’ niet te scheiden zijn, zelfs meestal samenvallen. Het belang dat aan de dynamiek gehecht wordt, vindt men niet alleen terug in algemene publicaties over muzikale esthetiek (Lussy, Riemann), maar ook en in de eerste plaats in harmoniummethodes (Lickl, Lefébure-Wely, Mustel). Dat is volkomen begrijpelijk als men zich realiseert dat het harmonium het toetsinstrument bij uitstek is dat de parameter klanksterkte kan beheersen. Uit de verschillende citaten blijkt dat er enerzijds algemene gebruiken zijn met betrekking tot de dynamische curve van een muzikale zin, te weten een op- en neergaande lijn van crescendo en diminuendo, en dat er anderzijds verschillen zijn tussen de uitvoerders, waardoor elk zijn spel kan individualiseren.

Op het gebied van het orgelspel stellen we vast dat Charles-Marie Widor een richting vertegenwoordigt met een andere kijk op de expressiviteit van het orgel: de aard van het instrument, zijn locatie en het repertoire vereisen een strakkere, objectievere vorm van expressie, wat Widor met het woord ‘architectuur’ omschrijft. Sigfrid Karg-Elert ontwikkelt het begrip op zijn manier tot een idee van transcendente kunst, waarbij de beheersing van de dynamiek tot hoogste individueel uitdrukkingsmiddel verheven wordt.