Artikelen
| Peter van Dijk |
|
Bach in
Nederland rond 1900 Het ORGEL 96 (2000), nr. 4, 35-45 [samenvatting] |
Bach
was rond 1900 in Nederland bekend doordat een aantal Nederlandse
organisten in Duitsland had gestudeerd, zoals Bastiaans, Van Eijken,
De Lange. In de laatste decennia van de 19de eeuw werd ook de
invloed van Lemmens, Widor en Guilmant merkbaar. De orgelbouw in
Nederland staat in 1900 op een kruispunt. Er is een conservatieve
stroming (waardoor orgels tot in de 20ste eeuw op klassieke wijze
gebouwd blijven worden) en een progressieve, die vooral door het
Duitse ‘moderne’ orgel wordt beïnvloed. Representatief voor de
modernere stroming zijn de Maarschalkerweerd-orgel in de Onze Lieve
Vrouwe-Kerk te Zwolle (1896), het Smits-orgel in de Goirkese Kerk te
Tilburg (1905), het Witte-orgel in de Noorderkerk te Rotterdam
(1894). Van dit laatste orgel is bekend hoe de organisten bij de
ingebruikneming registreerden. Tongwerken werden aangevuld met een
labiaal register, strijkers konden ook alleen gebruikt worden. Deze
manier van registreren werd in Duitse orgelscholen gaandeweg steeds
meer gepropageerd. In 1913 publiceert Karl Straube Bachs Preludium
in A zelfs als een soort symfonisch gedicht. Heinrich Reimann, Karl
Straubes leermeester, werd in het ORGEL geciteerd: hij
pleitte ervoor Bach met gebruikmaking van moderne middelen te
spelen. Albert Schweitzer, wiens Bachbiografie uit 1907/1908 ook in
Nederland bekend was, verzette zich daartegen. De moderne
opvattingen werden gevolgd door de organisten als Jean- Baptiste de
Pauw en Johannes Andries de Zwaan, de conservatieve door organisten
als Willem Petri en Marinus Hendrik van ’t Kruijs.
Het Bachspel in Nederland was rond 1900 dus zeer divers. Dat betekent dat wie Bach wil spelen in de stijl van die tijd vooral ook zijn eigen oren moet gebruiken.



